Thuis
- Snel naar:
- Over NPPZ II
- Strategische thema's
- Contact
Inhoud
2.1 Generalistische palliatieve zorg
2.1.1 Huisarts
2.1.2 Verpleging en verzorging
2.1.3 Centrale zorgverlener
2.1.4 Mantelzorg
2.1.5 Vrijwilligers
2.2 Inzet specialistische palliatieve zorg
2.2.1 Huisarts
2.2.1 Palliatieve consultatie in PZ opgeleide specialist ouderengeneeskunde of lid team Palliatieve Zorg in het ziekenhuis
2.2.3 Verpleegkundig specialist/gespecialiseerd verpleegkundige
2.2.4 Geestelijke verzorging
2.3 Medisch-specialistische zorg
2.4 Hulpmiddelen en huishoudelijke hulp
2.5 Nazorg
2.6 Innovatie: Experiment bekostiging transmurale palliatieve zorg
2.7 Experimenten met alternatieve bekostiging
2.8 Knelpunten
2.9 Opgeloste knelpunten
Guus zoekt zijn vrouw op in het ziekenhuis. Hij kijkt naar haar. "Dit is niks, hè meisje?" Ze zucht. "Het hoeft niet", zegt hij zachtjes. Olivia kijkt hem aan. Ze is te moe, nadenken lukt niet. De internist uit het team Palliatieve Zorg bespreekt de twijfels met Olivia en Guus. Olivia besluit te stoppen met de chemotherapie. Ze is opgelucht dat ze naar huis kan. Niet nog een keer die zware behandeling. En ze is teleurgesteld in zichzelf. Welke moeder laat nu de kans op meer tijd met haar kind schieten?Na overleg met de transferverpleegkundige van het ziekenhuis start de wijkverpleging de zorg thuis op. De huisarts neemt met Olivia en Guus het zorgplan door zoals dat vanuit het ziekenhuis is overgedragen. Samen passen ze het aan op de thuissituatie en besluiten ze om voor de coördinatie en continuïteit van zorg de gespecialiseerd verpleegkundige/casemanager Palliatieve Zorg het aanspreekpunt te laten zijn. Met de specifieke expertise in palliatieve zorg kan deze verpleegkundige begeleiding bieden in complexe situaties en anticiperen op het verloop van de ziekte en de problemen die dit mogelijk gaat veroorzaken. Ze kan tijdig regelen dat de zorg continu goed is afgestemd op de situatie van Olivia.
Olivia praat graag wat met de verpleegkundigen en verzorgenden terwijl zij hun werk doen. Zo leren ze haar in korte tijd goed kennen. Doordat zowel de wijkverpleegkundige als de huisarts deelnemen aan het PaTz-overleg hebben zij een korte lijn met elkaar.
Dit hoofdstuk beschrijft de mogelijkheden voor financiering van generalistische palliatieve zorg en de inzet van gespecialiseerde palliatieve zorg van de verschillende betrokken disciplines in de thuissituatie.
2.1 Generalistische palliatieve zorg
2.1.1 Huisarts
Huisartsenzorg wordt in de thuissituatie altijd gefinancierd via de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het maakt daarbij niet uit of een patiënt reeds een indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz) heeft of niet. Binnen de kinderpalliatieve zorg is de kinderarts de beroepsbeoefenaar (die de poortfunctie uitvoert) verantwoordelijk voor de zorgvraag van de patiënt. Naast de kinderarts kan ook de verpleegkundig specialist de zorg coördineren. Hij of zij stemt af met de huisarts over de taakverdeling.
De bekostiging van de huisartsenzorg is ingedeeld in drie segmenten:
- Segment 1: Basisvoorziening huisartsenzorg
- Segment 2: Multidisciplinaire eerstelijnszorg
- Segment 3: Resultaatbeloning en zorgvernieuwing
Segment 1: Basiszorg
Palliatieve zorg valt onder de basiszorg in segment 1. Naast specifieke prestaties voor palliatieve terminale zorg, kan palliatieve zorg bekostigd worden vanuit het inschrijftarief en consultprestaties. Vanuit S1 ontvangt een huisarts een vast bedrag (inschrijftarief per kwartaal) voor zijn ingeschreven patiënten. De hoogte hiervan is mede afhankelijk van de leeftijd van de patiënt. Het bedrag neemt toe naar mate de leeftijd en de daarmee verwachte zorgzwaarte toeneemt.
Declaratie van de geboden palliatieve terminale zorg vindt plaats onder de prestatie Intensieve zorg.40 Voor de palliatieve terminale zorg gedurende de laatste drie maanden (of, in geval van kinderen, de laatste 12 maanden) van het leven kan de huisarts de prestatie Intensieve zorg, overdag of Intensieve zorg, anw (avond, nacht, weekend) declareren. Hiervoor geldt een maximumtarief. Het aantal consulten Intensieve zorg is niet aan een maximum gebonden, hoewel sommige verzekeraars wel een maximumaantal hanteren in hun contracten. Telefonische consulten of consulten per e-mail of via een internet beeldverbinding ter vervanging van een spreekuurconsult mogen volgens regulier tarief worden gedeclareerd, indien de zorgverlening zorginhoudelijk vergelijkbaar is met de zorgverlening die in een regulier face-to-face consult wordt geboden.41
Het is aan de huisarts om te beoordelen of een patiënt zich in de terminale fase bevindt.
Een huisarts kan advies vragen aan een medisch specialist42 om een doorverwijzing naar het ziekenhuis mogelijk te voorkomen. Dit noemen we een meedenkadvies. Het meedenkadvies gaat om contact tussen de huisarts en medisch specialist, zonder patiëntcontact.43 Als een huisarts en medisch specialist deze zorg leveren, brengen zij ieder een bedrag in rekening voor de zorg die zij hebben geleverd. De medisch specialist44 en de huisarts45 hebben hiervoor vanaf 2026 hun eigen betaaltitel. Dit betekent dat zij niet langer van onderlinge dienstverlening gebruik hoeven te maken voor het declareren van de inzet.
De prestatie wordt maximaal één keer per zorgvraag gedeclareerd, ook indien er voor de totstandkoming van één advies over één zorgvraag meerdere contactmomenten hebben plaatsgevonden. Deze prestatie kan alleen door de huisarts worden gedeclareerd indien zonder advies van de medisch-specialistische zorgverlener de huisarts over zou gaan tot een reguliere verwijzing. Het advies stelt de huisarts in staat om te beslissen of en hoe de patiënt zelf verder te behandelen voor deze zorgvraag of om door te verwijzen. Indien de patiënt voor de zorgvraag reeds onder behandeling is in de medisch-specialistische zorg, kan de prestatie niet worden gedeclareerd. De prestatie wordt in de MSZ uitsluitend gedeclareerd door één beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert, ook wanneer meerdere beroepsbeoefenaren die de poortfunctie uitvoeren betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het advies.
Het meedenkadvies is landelijk vrijgesteld van eigen risico.
Segment 2: Multidisciplinaire eerstelijnszorg
Segment 2 biedt de mogelijkheid tot prestaties onder de noemer van Organisatie en Infrastructuur (O&I). De prestaties O&I Wijkmanagement, O&I Ketenzorg, O&I Regiomanagement en O&I Geïntegreerde eerstelijnszorg overig bieden de mogelijkheid om aanvullende vergoedingen per ingeschreven verzekerde overeen te komen op basis van afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Deze aanvullende vergoedingen hebben als doel om (multidisciplinaire) samenwerking tussen zorgverleners te stimuleren, waarbij de patiënt de voordelen ervaart van het continu verbeteren van de kwaliteit en kosten van zorg.
Segment 2A bevat de prestaties voor multidisciplinaire samenwerking bij chronische zorg in het kader van Diabetes Mellitus type 2 (DM2), Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD), Vasculair Risicomanagement (VRM) en Astma. Segment 2B biedt ruimte voor partijen om programmatische zorg vorm te geven voor elementen van zorg die nog geen onderdeel uitmaken van de reguliere integrale bekostiging in Segment 2A (ketenprestaties voor multidisciplinaire samenwerking bij chronische zorg in het kader van Diabetes Mellitus type 2 (DM2), Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD), Vasculair Risicomanagement (VRM) en Astma). Het gaat hierbij om nieuwe ketens (bijvoorbeeld depressie of programmatische zorg voor kwetsbare ouderen) of nieuwe elementen van zorg binnen de bestaande ketens (bijvoorbeeld farmaceutische zorg) waarbij landelijk overeenstemming is over de aanpak en onderliggende zorgstandaarden.46
Segment 3: Resultaatbeloning en zorgvernieuwing
Ook Segment 3 biedt ruimte aan verzekeraars en aanbieders om onderling afspraken te maken over het belonen van uitkomsten van zorg en zorgvernieuwing op lokaal niveau. De afspraken binnen Segment 3 kunnen betrekking hebben op uitkomsten van zorg geleverd in Segment 1 (basis-huisartsenzorg) en Segment 2 (multidisciplinaire zorg). Ook de zorgvernieuwing kan op beide domeinen betrekking hebben.47
Tot slot zijn er prestaties die niet goed in één van de drie segmenten zijn in te passen, de zogenaamde ‘prestaties buiten segmenten’. Bijvoorbeeld de M&I-verrichtingen, waar de prestaties ‘palliatieve consultatie’ (visite en/of telefonisch) onder vallen. Het gaat hier over prestaties die consultatie van een huisarts door een huisarts mogelijk maken; zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.2.1.
Deelname PaTz-overleg
De huisarts van Olivia neemt deel aan het PaTz-overleg in zijn regio. PaTz staat voor Palliatieve Thuiszorg. Een aantal keer per jaar komen huisartsen en wijkverpleegkundigen uit een regio (soms aangevuld door een geestelijk verzorger, VPTZ-organisatie of maatschappelijk werker) bij elkaar om hun (volwassen) palliatieve patiënten te bespreken. Ze houden een register van hun palliatieve patiënten bij en selecteren bij iedere bespreking een aantal patiënten om te bespreken. De bespreking is gericht op het proactief nadenken over het zorgplan. Een in palliatieve zorg gespecialiseerde consulent ondersteunt hen. Door deelname aan een PaTz-groep weten huisarts en wijkverpleegkundige elkaar goed te vinden, neemt hun deskundigheid in palliatieve zorg toe, kan tijdig worden ingespeeld op de wensen en behoeften van de patiënt en sterven meer patiënten op de plek van hun voorkeur. De expertise van de consulent is laagdrempelig te bereiken.48
Deelname van de huisarts aan PaTz (indirect patiëntgebonden tijd) zit net als andere MDO’s verdisconteerd in de tarieven voor de direct patiëntgebonden tijd, oftewel het consult- en inschrijftarief (segment 1). Soms wordt een MDO apart gefinancierd in bijvoorbeeld modules ouderenzorg met afspraken die via S2 of S3 lopen. Voor een nadere toelichting van een knelpunt bij (structurele) financiering van deelname aan een PaTz-overleg wordt verwezen naar Hoofdstuk 6.
In een aantal regio’s zijn PaTz-groepen meegefinancierd via het TAPA$-experiment.49
Proactieve zorgplanning
Sommige zorgverzekeraars contracteren binnen S3 actief zogeheten ‘behandelwensgesprekken’ in het kader van proactieve zorgplanning. De huisarts (of de verpleegkundig specialist of POH onder regie van de huisarts) krijgt meer tijd voor het gesprek en de voorbereiding hiervan. Het zorgplan wordt overgedragen aan de huisartsenpost. Andere zorgverzekeraars contracteren proactieve zorgplanning via de bredere zorgmodule ouderenzorg als onderdeel van een integrale aanpak voor de ouderen en kwetsbare patiënten binnen de populatie. De NZa is voornemens om per 1 januari 2027 proactieve zorgplanning structureel te financieren via een aparte prestatie in Segment 1.50 Tot 2027 roepen ze zorgverzekeraars op om proactieve zorgplanning ruim in te kopen.
Module kwetsbare ouderen
In veel regio’s worden samenwerkingsafspraken gemaakt over de zorg en ondersteuning van thuiswonende kwetsbare ouderen. Dit is relevant voor de palliatieve zorg, omdat er steeds meer initiatieven zijn waarbij de palliatieve patiënt besproken wordt tijdens de mdo’s die rondom kwetsbare ouderen georganiseerd worden. De samenwerking rondom kwetsbare ouderen wordt vaak betaald vanuit S2 O&I, maar sommige zorgverzekeraars contracteren dit ook via S3.
Samenwerkende eerstelijnspartijen hebben een handreiking51 gepubliceerd over de module kwetsbare ouderen. Deze is onderschreven door 17 partijen. Daarin staan 6 stappen:
1. Signalering
2. Gesprek met oudere en/of mantelzorger (inschatten situatie)
3. In kaart brengen kwetsbaarheid (gestructureerd met instrumenten)
4. Bespreking bevindingen brede domeinanalyse met direct betrokken professionals (incl. afspraken over hoofdbehandelaar/ aanspreekpunt/ medisch inhoudelijk verantwoordelijke)
5. Breed multidisciplinair overleg (borgen goede informatie-uitwisseling en afstemming)
6. Bespreken MDP en IZP met oudere en familie, uitvoeren en evalueren
2.1.2 Verpleging en verzorging
Financiering van de verpleging en verzorging in de thuissituatie verloopt in principe vanuit de Zvw, tenzij de patiënt een indicatie voor de Wlz heeft. Dat betekent dus dat financiering van verpleging en verzorging voor patiënten in de Zvw en Wlz op verschillende manieren verloopt. In onderstaand overzicht worden deze verschillen toegelicht.
Persoonlijke verzorging voor palliatieve kinderen kan daarnaast vanuit de Jeugdwet bekostigd worden als deze zorg buiten de geneeskundige context valt: het gaat dan om verzorging die nodig is vanwege de zelfredzaamheid van het kind. Het is aan de kinderverpleegkundige om aan te geven of de persoonlijke verzorging verband houdt met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Indien de zorg niet als geneeskundig wordt beschouwd, spreekt men van ‘begeleidende hulp’.52,53 Het verschilt per gemeente hoe dit is geregeld.54 Dit is daarom niet verder uitgewerkt in onderstaand overzicht.
|
Verpleging en verzorging, Zorgverzekeringswet |
|
|
Algemeen De patiënt kan de zorg thuis op twee manieren (leveringsvormen) ontvangen:
(Experiment) Integrale prestaties wijkverpleging Voor de overige aanbieders Verpleging en verzorging is onderverdeeld in de volgende prestaties57:
De zorgverzekeraar en zorgaanbieder maken tariefafspraken over de bovenste elf prestaties. Dit geldt niet bij PGB, daar zijn max-tarieven afgesproken voor professionele en niet-professionele zorg en verzekeraars publiceren hun tarieven. Voor de eerste zeven prestaties en voor thuiszorgtechnologie geldt een maximumtarief per uur. Voor de overige prestaties zijn de tarieven vrij. In de praktijk spreken veel zorgverzekeraars en zorgaanbieders een integraal tarief af waarin de eerste zes prestaties zijn opgenomen. |
Algemeen De patiënt kan de zorg thuis op drie manieren (leveringsvormen) ontvangen58:
De zorgaanbieder en het zorgkantoor spreken hiervoor tarieven af. Daarvoor gelden voornamelijk maximumtarieven, zoals vastgelegd in de tariefbeschikkingen van de NZa. Dit geldt niet bij PGB, daar wordt het budget bepaald o.b.v. de indicatie. Budgethouders kunnen zelf bepalen hoeveel zorg ze inkopen. Ze mogen een zorgverlener echter niet meer betalen dan de maximale60 uurtarieven voor formele en informele zorgverleners.F Voor patiënten met een Wlz-indicatie die op een wachtlijst staan voor een zorginstelling en die in de tussentijd zorg thuis nodig hebben, kan overbruggingszorg worden aangevraagd. Als de leveringsvorm is vastgesteld, moet het zorgkantoor ervoor zorgen dat die zorg geleverd wordt. Als die zorg niet geleverd kan worden omdat er geen aanbod beschikbaar is (wachtlijst, personeelstekort), dan moet het zorgkantoor een passende en verantwoorde overbrugging bieden. Dit heeft niet alleen betrekking op de overbruggingsperiode naar verblijf, maar ook op de overbruggingsperiode naar andere leveringsvormen. Het zorgkantoor overlegt met de verzekerde wat een passende overbrugging is.61
|
|
Palliatieve (terminale) zorg Palliatieve (terminale) zorg is onderdeel van de reguliere prestaties voor de wijkverpleging of onderdeel van het integrale tarief dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders hebben afgesproken. De wijkverpleegkundige indiceert de zorg die de patiënt nodig heeft. Dit gaat voor zorg in de palliatieve terminale fase niet anders dan bij een ‘normale’ indicatiestelling. In de palliatieve terminale fase is er altijd sprake van geneeskundige zorg. Dit hoeft echter niet altijd méér zorg te zijn dan in de fase daarvoor en de zorg hoeft niet altijd door de wijkverpleegkundige zelf geleverd te worden. De wijkverpleegkundige kan in samenspraak met de patiënt (en/of naasten) besluiten (een deel van) de benodigde zorg door vrijwilligers en/of naasten te laten uitvoeren.64 Dit hangt af van de individuele situatie van de zorgvrager en zijn netwerk.65,66 De zorgverzekeraar is verantwoordelijk voor de vergoeding van de geïndiceerde zorg. |
Palliatieve zorg Palliatieve zorg is onderdeel van het zorgprofiel dat de patiënt al heeft. Als een patiënt bijvoorbeeld Zorgprofiel VV 6 heeft, wordt palliatieve zorg bekostigd vanuit dat pakket.67 Patiënten met een mpt of een pgb, met een levensverwachting langer dan drie maanden en voor wie de zorg thuis aantoonbaar ontoereikend is, kunnen tot 25 procent extra budget ontvangen.68 Als de zorgbehoefte bij patiënten met een zorgprofiel VV ‘Beschermd wonen met zeer intensieve zorg vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding’, of het zorgprofiel VV ‘Beschermd wonen met zeer intensieve zorg vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op verzorging/verpleging’ (voorheen ZZP VV 7 of VV 8) minimaal 25 procent hoger is dan vanuit het zorgprofiel wordt vergoed, kan extra financiering (meerzorg) worden aangevraagd bij het zorgkantoor.69 Vanaf 2025 geldt voor iedereen binnen de Wlz een pgb op maat. Bij pgb op maat kijkt het zorgkantoor samen met de aanvrager naar iemands zorgvraag en daarna welk budget hierbij hoort. Een gedegen budgetplan is dus noodzakelijk. Een pgb op maat vervangt het automatische basisbedrag dat aanvragers eerder kregen.72 |
|
Palliatieve terminale zorg Ook palliatieve terminale zorg (PTZ) wordt in eerste instantie vergoed vanuit het zorgprofiel dat de patiënt al heeft.73 Als de levensverwachting van de patiënt minder dan drie maanden is en de zorg wordt geleverd via een mpt of een pgb, kan bij het zorgkantoor een verhoging worden aangevraagd indien dit nodig is om de patiënt PTZ thuis te kunnen laten ontvangen.74 Als de levensverwachting van de patiënt minder dan drie maanden is en de zorg wordt geleverd via een vpt, kan 10 VV Beschermd verblijf met intensieve palliatief-terminale zorg bij het zorgkantoor worden gedeclareerd, indien die verhoging nodig is om de patiënt intensieve PTZ thuis te kunnen laten ontvangen Het volstaat dat deze levensverwachting is opgenomen in het dossier van de patiënt voor toetsing bij de materiële controle.75 Het geïndiceerde zorgprofiel blijft hierbij ongewijzigd, maar kan niet gelijktijdig met VV 10 worden gedeclareerd.76 |
|
|
Beloning op maat Vanuit de prestatiebeloning op maat kunnen zorgaanbieders en zorgverzekeraars tegen een vrij tarief aanvullende afspraken maken over innovatie, kwaliteit, uitkomsten van zorg of de bediende populatie van de zorgaanbieder.77 |
|
|
Deelname aan diverse (regionale) structuren Deelname aan de PaTz-vergaderingen kent geen specifieke bekostiging voor de wijkverpleegkundige. Indirecte patiëntenzorg zit verdisconteerd in de zorgprestaties. Regie en coördinatie bij multidisciplinaire zorgverlening en ondersteuning en instructie rondom zaken die in directe relatie staan met de zorgbehoefte van de patiënt, is onderdeel van de prestatie gespecialiseerde verpleging.78 Mocht de zorgaanbieder gebruik maken van het experiment bekostiging wijkverpleging (zie paragraaf 2.1.2) dan vindt declaratie plaats via de integrale prestatie per uur, dag, week of maand (afhankelijk van de afspraken met de verzekeraar). Dit experiment loopt nog tot december 2028.79
Regie en coördinatie bij multidisciplinaire zorgverlening kan worden gedeclareerd via de prestatie Verpleging en verzorging aan kinderen tot 18 jaar, maar dit moet wel in directe relatie staan met de zorgbehoefte van de patiënt.80 De toelichting op de beleidsregel noemt het multidisciplinair overleg als voorbeeld van een activiteit die niet onder directe zorgverlening valt. |
|
2.1.3 Centrale zorgverlener
De centrale zorgverlener is het belangrijkste aanspreekpunt voor de patiënt en diens naasten en het gehele team van betrokken zorgverleners. Deze aangewezen eerstverantwoordelijke is in principe een BIG-geregistreerde zorgverlener met concrete taken en verantwoordelijkheden op het gebied van palliatieve zorgverlening, coördinatie en continuïteit van de zorg.
In samenspraak met de patiënt en diens naasten worden de taken van de centrale zorgverlener uitgevoerd door de hoofdbehandelaar, dan wel gedelegeerd aan een andere zorgverlener.
Er is geen aparte betaaltitel voor de rol van centrale zorgverlener of het zijn van eerste aanspreekpunt, dit is onderdeel van de reguliere werkzaamheden/ prestaties.
In sommige regio’s wordt gesproken over de casemanager palliatieve zorg in plaats van over centrale zorgverlener. Casemanagement komt in verschillende vormen.81 Casemanagement kan vallen onder zorg zoals huisartsen die plegen te bieden of onder zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden. De nadruk ligt óf op de geneeskundige kant van de zorg óf op de verpleegkundige zorg. Afhankelijk van de invulling en de aanspraak kunnen de betreffende prestaties gebruikt worden om de zorg in rekening te brengen.
Er zijn in verschillende regio’s financieringsafspraken gemaakt over casemanagement palliatieve zorg binnen de V&V. Zo wordt het in enkele regio’s bekostigd via de prestatie Advies, Instructie en Voorlichting (AIV), of via de Vektiscode ‘ziekenhuisverplaatste zorg’ (1121).
Momenteel wordt er onderzoek gedaan naar casemanagement binnen de kinderpalliatieve zorg vanuit NPPZ II.
2.1.4 Mantelzorg
Voor de inzet van de mantelzorg bestaat geen algemene vergoeding. Wel kan de mantelzorger aanspraak maken op een aantal vergoedingen, waaronder vergoeding van reiskosten via de gemeente en tegemoetkoming voor extra zorgkosten. Ook bestaat de mogelijkheid om de mantelzorger in te schakelen vanuit het pgb.82 Dat is echter niet bedoeld voor mantelzorg of gebruikelijke zorg.
Soms kan de zorg te zwaar zijn voor de mantelzorger. Dan kan een vrijwilliger of de wijkverpleging (tijdelijk) hulp geven. Soms is tijdelijk logeeropvang mogelijk in een zorginstelling of een tijdelijke opname in een hospice (zie paragraaf 3.7). Hierdoor heeft de mantelzorger even geen zorgtaken waardoor hij/zij kan uitrusten. Dit heet ‘respijtzorg’ of vervangende zorg.83 Door respijtzorg kunnen mantelzorgers hun eigen leven beter in balans houden en de zorg voor hun naaste langer volhouden.
Professionele respijtzorg kan worden vergoed door de gemeente, het zorgkantoor of de zorgverzekeraar. Welke instantie de respijtzorg vergoedt, is afhankelijk van de specifieke situatie:
-
Gemeente: als de zorgvrager zelf Wmo-ondersteuning krijgt, kan respijtzorg worden vergoed vanuit de Wmo. Respijtzorg voor kinderen met een palliatieve zorg behoefte kan worden vergoed vanuit de Jeugdwet, als hun zorgvraag niet geneeskundig van aard is.84 Vraag de betreffende gemeente naar de mogelijkheden;
-
Zorgkantoor: als de zorgvrager zelf zorg krijgt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz);
-
Zorgverzekeraar: sommige zorgverzekeraars vergoeden respijtzorg geheel of gedeeltelijk vanuit de aanvullende verzekering. De zorgverzekeraar vergoedt vanuit de basisverzekering de prestatie Verpleegkundige dagopvang intensieve kindzorg voor het bezoeken van een verpleegkundig kinderdagverblijf85 en Verblijf intensieve kindzorg voor verblijf in een verpleegkundig kinderzorghuis.86
2.1.5 Vrijwilligers
(Vrijwilligers)organisaties voor palliatieve terminale zorg kunnen opgeleide vrijwilligers inzetten om mensen in de laatste levensfase en hun naasten te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld in een hospice, zorginstelling of bij mensen thuis. Een (vrijwilligers) organisatie kan via de Regeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis (Regeling PTZ) in aanmerking komen voor een subsidie per cliënt met een levensverwachting van minder dan 3 maanden. De Regeling PTZ ziet toe op het stimuleren van de coördinatie, scholing en inzet van vrijwilligers bij het verlenen van palliatieve terminale zorg. Het is ook mogelijk om vrijwilligers al eerder in de palliatieve fase in te zetten. Hier is geen vaste financiering voor. Soms krijgt de organisatie hiervoor subsidie vanuit de gemeente.
2.2 Inzet specialistische palliatieve zorg
De zorg voor Olivia is zwaar voor Guus. Sara helpt waar ze kan, maar heeft ook de zorg voor haar eigen gezin en ze wil graag de momenten dat zij bij haar moeder is, niet alleen met de mantelzorg bezig zijn. De wijkverpleegkundige bespreekt met Olivia en haar gezin dat zij samenwerken met opgeleide vrijwilligers die er voor hen kunnen zijn. Samen komen ze tot het inzicht dat deze extra ondersteuning hen goed zou kunnen helpen. De wijkverpleegkundige neemt daarom contact op met de coördinator van de VPTZ-organisatie in de regio.De huisarts bespreekt de situatie van Olivia in zijn PaTz-overleg. Hij vertelt over de tegenstrijdige gevoelens die Olivia heeft over het stoppen met de behandeling. De wijkverpleegkundige vertelt dat ze zag dat Olivia kortaf is tegen Sara. De gespecialiseerde consulent Palliatieve Zorg suggereert de inzet van een geestelijk verzorger.
Het idee dat ze haar dochter moet achterlaten, is voor Olivia onverteerbaar. Ze staat achter haar keuze om te stoppen met de palliatieve chemotherapie en kiest bewust voor meer kwaliteit van leven in plaats van het toevoegen van dagen. Tegelijkertijd overschaduwt het aanstaande gemis van haar gezin haar kwaliteit van leven. Gesprekken met een geestelijk verzorger geven haar handvatten om rust te kunnen vinden. Zo kan het gezin met aandacht voor elkaar afscheid nemen.
2.2.1 Huisarts
In complexe situaties rondom een patiënt in de palliatieve fase bestaat voor een huisarts de mogelijkheid om een in palliatieve zorg gespecialiseerde collega uit eigen of andere discipline in consult te vragen.
Palliatieve consultatie van kaderopgeleide huisarts
-
Palliatieve consultatie, visite: Consultatievisite door een opgeleide palliatieve huisartsconsulent op verzoek van huisarts. Het betreft een prestatie per visite, inclusief bestudering casus.
-
Palliatieve consultatie, telefonisch: Telefonische consultatie door een opgeleide palliatieve huisartsconsulent op verzoek van huisarts. Het betreft een prestatie per telefonisch consult.
Het betreft hier prestaties onder M&I (Modernisatie en Innovatie)-verrichtingen. Als er een overeenkomst is afgesloten tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar, geldt voor deze verrichtingen een vrij tarief. Als er geen overeenkomst is afgesloten, gelden maximumtarieven voor deze prestaties.88 De huisartsconsulent mag de prestatie zelf in rekening brengen bij de zorgverzekeraar.
2.2.2 Palliatieve consultatie in PZ opgeleide specialist ouderengeneeskunde of lid team Palliatieve Zorg in het ziekenhuis
De specialist ouderengeneeskunde kan in de eerstelijn door de huisarts worden geconsulteerd voor specifieke medisch geneeskundige zorg aan kwetsbare ouderen en chronisch zieke patiënten, ook in de palliatieve fase. Het gaat hierbij meestal om patiënten met complexe problemen. Dit kan via telefonische of bedside consultatie, en vanaf 2025 bestaat ook de mogelijkheid van trajectfinanciering van kwetsbare patiënten thuis. Het betreft de inzet van specialistische zorg voor kwetsbare, thuiswonende patiënten met chronische multimorbiditeit, multidomeinproblematiek en complexe zorgvragen gedurende een langere periode. Het doel van de zorg is dat patiënten langer thuis kunnen wonen met focus op kwaliteit van leven, waar mogelijk beperken van verdergaande achteruitgang en het voorkomen van crisissituaties of -opnames.
De prestaties in de beleidsregel zijn functioneel omschreven. Dit betekent dat de zorg wordt omschreven (het 'wat') en wanneer deze mag worden gedeclareerd, maar dat niet is opgenomen wie de zorg moet leveren. Dit heeft als gevolg dat iedere zorgverlener die bevoegd en bekwaam is om (een deel van) de zorg te bieden, de zorg kan declareren. Dit houdt in dat zorg die specialisten ouderengeneeskunde en artsen verstandelijk gehandicapten bieden bijvoorbeeld ook geboden kan worden door daartoe bevoegde en bekwame verpleegkundig specialisten en physician assistants.
De wijze waarop de inzet van de specialist ouderengeneeskunde wordt gefinancierd, is afhankelijk van of de patiënt een Wlz-indicatie heeft of niet. De zorg door de specialist ouderengeneeskunde in de thuissituatie voor patiënten zonder Wlz-indicatie wordt bekostigd vanuit de Zvw via de beleidsregel ‘geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen’ (gzsp).89 De zorg door de specialist ouderengeneeskunde voor patiënten met Wlz-indicatie wordt bekostigd uit de Wlz.
|
Inzet specialist ouderengeneeskunde Zorgverzekeringswet |
Inzet specialist ouderengeneeskunde |
|
Hiervoor is uitgelegd hoe de specialist Ouderengeneeskunde in de GZSP door de huisarts kan worden geconsulteerd. Dit kan voor collegiaal overleg of een consult bij de patiënt of trajectfinanciering. Als de specialist Ouderengeneeskunde zorg levert aan patiënten zonder Wlz-indicatie kan die de zorg declareren via de prestatie ‘Zorg zoals specialisten ouderengeneeskunde die bieden’.90 Deze prestatie kan per 5 minuten worden gedeclareerd. Daarnaast kan er per bezoek een reistoeslag worden gedeclareerd. Voor de trajectfinanciering geldt een startfase voor diagnostiek en het opstellen van een zorgplan voor 3 maanden, wat kan worden verlengd per maand met een ‘vervolgfase’ Voor deze prestaties geldt een maximumtarief. Met de zorgverzekeraar kan worden afgesproken dat ten hoogste 10% boven op het maximumtarief kan worden gedeclareerd.1 Met de zorgverzekeraar kan ook een contract worden afgesproken binnen de Beleidsregel innovatie voor kleinschalige experimenten (zoals ten aanzien van het multidisciplinair team ouderen (MTO)). Dan is het tarief vrij. Tot slot kan de inzet van de specialist ouderengeneeskunde ook worden gedeclareerd via de prestatie ‘Onderlinge dienstverlening’. |
De zorg door de specialist Ouderengeneeskunde voor patiënten met Wlz-indicatie wordt bekostigd uit de Wlz. Patiënten met een Wlz-indicatie hebben recht op zorg door een specialist Ouderengeneeskunde, als zij vanuit geneeskundig oogpunt op deze zorg zijn aangewezen. Voor patiënten met een Wlz-indicatie die de zorg thuis ontvangen, mag de zorg door de specialist Ouderengeneeskunde op consultbasis bij het zorgkantoor worden gedeclareerd. Voor het (mogen) leveren van deze prestatie is wel een contract van de instelling of het samenwerkingsverband van de specialist Ouderengeneeskunde met het zorgkantoor nodig voor de behandelcodes/functies H335 (behandeling specialist Ouderengeneeskunde).91,92 |
Begeleiding PaTz door inhoudelijk deskundige Palliatieve Zorg
Een inhoudelijk deskundige ondersteunt de PaTz-groep. Deze deelname kent geen structurele financiering. Stichting PZNL biedt een vergoeding voor de inzet van - aan Stichting PZNL verbonden - consulenten.93 In enkele regio’s worden PaTz-groepen (mee)gefinancierd via de TAPA$-prestaties.94
Consultatievoorziening palliatieve zorg
Naast de beschreven consultatievormen bestaat ook de mogelijkheid om bij vragen en problemen in de palliatieve fase het Consultatieteam Palliatieve Zorg van Stichting PZNL te raadplegen. De consulent denkt met de consultvrager mee en brengt advies uit. Hieraan zijn voor de consultvrager geen kosten verbonden. De consulenten zijn artsen en verpleegkundigen die door opleiding en praktijk gespecialiseerd zijn in palliatieve zorg. Om de expertise van de consulenten nog laagdrempeliger en effectiever beschikbaar te stellen aan zorgverleners is de consultatievoorziening regionaal én transmuraal georganiseerd. Zorgverleners binnen de gehele zorgketen kunnen een beroep doen op deze consulenten voor advies en ondersteuning bij specialistische en complexe zorgvragen.95
Consultatie door het KCT
Het KCT levert in de thuissituatie zorg voor kinderen met een palliatieve zorgvraag. Ze spelen daarin een verbindende rol tussen de medisch specialist, de zorgverleners in de eerstelijn en het kind en de ouders. De KCT’s organiseren de juiste zorg en ondersteuning voor kind en gezin dan ook niet alleen in, maar ook buiten het ziekenhuis, al dan niet aan huis. Omdat voor de doelgroep kinderen specifieke expertise nodig is, die in bovenstaande consultatiemogelijkheden niet of onvoldoende aanwezig zijn, kan de huisarts voor palliatieve zorg bij kinderen dan ook het KCT in consult vragen. Dit kan zowel telefonische als bedside consultatie zijn. De bekostiging van deze consultatie kan op basis van afspraken in het kader van het meekijkconsult worden geregeld.
2.2.3 Verpleegkundig specialist/gespecialiseerd verpleegkundige
Bekostiging van de inzet van gespecialiseerde verpleegkundigen/verpleegkundig specialisten kan via de prestaties ‘gespecialiseerde verpleging’ of ‘AIV’ of via het integrale tarief wijkverpleging.96,97 In geval van
kinderpalliatieve zorg kan dit op basis van de prestatie Verpleging en verzorging aan kinderen tot 18 jaar worden gedeclareerd. Als contractering plaatsvindt op basis van het integraal tarief, is het van belang dat de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar goed opletten dat het afgesproken tarief voldoende ruimte biedt voor de inzet van gespecialiseerde verpleging.
De VS kan ook zorg leveren en declareren via de prestatie gzsp. In de beleidsregel gzsp staat hierover: De prestaties in de beleidsregel zijn functioneel omschreven. Dit betekent dat de zorg wordt omschreven (het 'wat') en wanneer deze mag worden gedeclareerd, maar dat niet is opgenomen wie de zorg moet leveren. Dit heeft als gevolg dat iedere zorgverlener die bevoegd en bekwaam is om (een deel van) de zorg te bieden, de zorg kan declareren. Dit houdt in dat zorg die specialisten ouderengeneeskunde en artsen verstandelijk gehandicapten bieden bijvoorbeeld ook geboden kan worden door daartoe bevoegd en bekwame verpleegkundig specialisten en physician assistants.98
2.2.4 Geestelijke verzorging
Begeleiding op het gebied van zingeving en spiritualiteit is onderdeel van de taken van zorgverleners.99 Als de hulpvraag van de patiënt hun deskundigheid overstijgt, kan de geestelijk verzorger hierin specialistische ondersteuning bieden.100
De Regeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis101 maakt de inzet van geestelijk verzorgers in de in de ambulante eerstelijn mogelijk. De regeling is bedoeld voor drie (patiënten)groepen, tenzij zij gedurende een etmaal of langer in een intramurale setting verblijven:
- Mensen van 50 jaar en ouder
- Patiënten in de palliatieve fase en hun naasten
Kinderen in de palliatieve fase en hun naasten
Dat geldt dus ook voor patiënten die poliklinische msz-behandeling ontvangen, en patiënten die een WLZ indicatie voor Volledig Pakket Thuis, Modulair Pakket Thuis of een PGB hebben. Naasten van patiënten in de palliatieve fase kunnen altijd gebruik maken van de regeling, ook als hun naaste in een intramurale setting verblijft.
Zij kunnen in hun eigen regio voor een aanvraag voor een consult terecht bij de organisatie in de regio die voor de coördinatie van geestelijke verzorging in de thuissituatie is aangewezen.102 In het geval van kinderen in de palliatieve fase en/of kinderen met een ouder in de palliatieve fase, zijn de Netwerken Integrale Kindzorg het aanspreekpunt.103
De consulten kunnen worden geleverd door geestelijk verzorgers die ingeschreven zijn in het register van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijke Verzorging (SKGV). Voor kinderpalliatieve zorg kunnen naast geestelijk verzorgers (die vaak ook deel uitmaken van de KCT’s) ook rouw- en verliesbegeleiders aanspraak maken op deze subsidie. Voorwaarde is wel dat er geen mogelijkheden zijn voor reguliere financiering vanuit bijvoorbeeld een aanvullende zorgverzekering of de Jeugdwet.104 Daarnaast geldt de aanspraak voor rouw- en verliesbegeleiders alleen als het kind jonger dan 23 jaar oud is.105
Naast consulten kunnen de middelen worden ingezet voor deelname van geestelijk verzorgers aan overlegvormen in de eerstelijn (zoals multidisciplinaire overleggen) en voor de inzet van geestelijke verzorgers voor bijscholing van (in)formele zorgverleners.106 De subsidieregeling loopt tot eind 2026, en wordt momenteel geëvalueerd.
Bovenstaande regeling is niet van toepassing op eerstelijnsverblijf, zoals eerstelijnsverblijf palliatieve zorg (HCH of PU). Geestelijke verzorging valt binnen de aanspraak van verblijf en dient door de zorgaanbieder te worden aangeboden vanuit het tarief voor de ELV. Het geldt wel voor Bijna Thuis Huizen.
2.3 Medisch-specialistische zorg
Om te voorkomen dat palliatieve patiënten onnodig naar het ziekenhuis moeten, kan medisch specialistische zorg die in plaats van in het ziekenhuis in de thuissituatie kan worden geleverd (bijvoorbeeld met behulp van e-health), worden gedeclareerd via de prestatie 'Klinische zorgdag in de thuissituatie, inclusief eventuele verpleging door het ziekenhuis' (190228).107 Deze zorgactiviteit valt onder de overige zorgproducten en kan zowel los als naast een DBC kalenderdag worden geregistreerd, mits ‘opname’ plaatsvond vóór 20:00 uur en de patiënt niet op die dag wordt overgeplaatst naar het ziekenhuis. De zorgactiviteit kent een vast, integraal tarief voor alle door het ziekenhuis geleverde zorg, die niet in andere zorgactiviteiten is beschreven. Om de zorgactiviteit te kunnen declareren, dient hierover een contract te zijn afgesloten met de zorgverzekeraar.
Daarnaast is het voor het openen van een zorgtraject door de medisch specialist niet langer nodig dat hij de patiënt fysiek ontmoet bij aanvang van een nieuw zorgtraject. Tegenwoordig kunnen de zorgactiviteiten belconsult ter vervanging van een eerste polikliniekbezoek (190164) en Belconsult ter vervanging van een herhaal-polikliniek (190162) respectievelijk Schriftelijke consultatie ter vervanging van een eerste polikliniekbezoek (190167) en Schriftelijke consultatie ter vervanging van een herhaal-polikliniekbezoek (190163) worden geregistreerd. Daarnaast kan een Screen-to-screenconsult ter vervanging van een Eerste polikliniekbezoek (190165) of een Screen-to-screenconsult ter vervanging van een Herhaal-polikliniekbezoek (190166) worden geregistreerd.
Het gaat hierbij om consulten waarbij contact is met een patiënt via de telefoon, een beeldverbinding of schriftelijk (bijvoorbeeld via e-mail of chat). Het consult moet zowel zorginhoudelijk als qua tijdsduur voldoen aan de voorwaarden die gelden voor het reguliere face-to-face (herhaal-)polikliniekbezoek. Het schriftelijke consult dat bijvoorbeeld één herhaal-polikliniekbezoek vervangt, kan uit meerdere schriftelijke informatie-uitwisselingen bestaan en toch als één schriftelijk consult worden geregistreerd. Van dit type consulten wordt, net als bij face-to-face-polikliniekbezoeken, inhoudelijke verslaglegging gedaan in het medisch dossier van de patiënt.108 Als binnen een bepaald zorgtraject face-to-face contact wel nodig is, staat dit vermeld in de regelgeving.109
2.4 Hulpmiddelen en huishoudelijke hulp
Olivia vindt het heerlijk om in de tuin te zitten. Ze luistert naar de vogels, voelt de lentezon op haar gezicht en praat wat met Guus. Ze heeft steeds meer moeite om naar de tuin te lopen. De wijkverpleegkundige regelt een rolstoel, zodat Guus haar daarmee naar de tuin kan brengen.Olivia gaat steeds verder achteruit. Het slikken van medicijnen gaat slechter en om de pijn goed te blijven bestrijden, wordt een pomp voor subcutane toediening van morfine ingezet. De wijkverpleegkundige regelt dag- en nachtzorg. "Ik hou van je, mam", zegt Sara. Guus strijkt over de wang van zijn vrouw. Op een zondagmiddag overlijdt Olivia te midden van haar gezin.
|
Hulpmiddelen en huishoudelijke hulp |
Hulpmiddelen en huishoudelijke hulp |
|
Hulpmiddelen Hulpmiddelen die nodig zijn voor de behandeling, verpleging en verzorging worden vergoed vanuit de Zvw.110,111 1Ook kunnen vanuit de Zvw tijdelijk hulpmiddelen worden geleend. Hulpmiddelen ter vergroting van de zelfredzaamheid worden vergoed vanuit de Wmo. Zo kan een rolstoel bijvoorbeeld de eerste zes maanden worden geleend vanuit de Zvw en daarna worden vergoed vanuit de Wmo.112 Sinds 2024 wordt ook de Palliakit door de meeste zorgverzekeraars vergoed. De Palliakit is een box die middelen bevat om snel te kunnen handelen als bij palliatieve patiënten, die in de terminale fase zijn gekomen, een plotse verslechtering of een acuut probleem optreedt. In dat geval moet direct worden geschakeld met huisarts en apotheek om alle benodigde zorg te kunnen leveren.
|
|
|
Huishoudelijke hulp Huishoudelijke hulp wordt vergoed vanuit de Wmo.113 |
Huishoudelijke hulp Huishoudelijke hulp wordt vergoed vanuit de Wlz.114,115 |
2.5 Nazorg
Nazorg is onderdeel van goede zorg. Concreet gaat het hier om één of twee gesprekken met de nabestaande over het verloop van de palliatieve fase van de overleden patiënt en hoe de begeleiding door de zorgprofessional door de nabestaande ervaren is.116 Het Zorginstituut heeft bepaald dat nazorg verzekerde zorg is. Idealiter is er in de overeengekomen tarieven tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders ruimte opgenomen om deze zorg te financieren. In de praktijk blijkt dit lastig te zijn vanwege de declaratieregels, zie hoofdstuk 6 Knelpunten voor een nadere toelichting.
2.6 Innovatie: Experiment bekostiging transmurale palliatieve zorg
Uit eerdere knelpuntenanalyses die samenhingen met het Kwaliteitskader palliatieve zorg Nederland en vele gesprekken blijkt een voorkeur van het veld om de palliatieve zorg interdisciplinair en transmuraal te organiseren.
Daarbij wordt idealiter lijnoverstijgend samengewerkt tussen generalistische zorgverleners en in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgverleners op basis van een ‘stepped care’-model.
1) Patiënten krijgen in beginsel palliatieve zorg geleverd door de generalistische zorgverlener (die structureel samenwerkt met in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgverleners).
2) Als de situatie complexer wordt (afhankelijk van de deskundigheid van de generalistische zorgverlener) kan aanvullende deskundigheid worden ingezet.
In het project TrAnsmurale PAlliatieve zorg met passende beko$tiging (TAPA$) is daarvoor een passende bekostiging ontwikkeld. Hiermee wordt interdisciplinaire transmurale samenwerking tussen generalistische zorgverleners en in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgverleners en transmurale inzet van in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgverleners bekostigd, aanvullend op de zorg die generalistische zorgverleners leveren vanuit de huidige reguliere prestaties.
Op basis van het zorgproces dat de patiënt in de palliatieve fase doorloopt, zijn (tijdelijke) prestaties opgesteld om het transmuraal samenwerken en de inzet van de specialist palliatieve Zorg te bekostigen. De TAPA$-prestaties zijn speciaal ontworpen voor die onderdelen in het zorgproces die nog niet regulier zijn bekostigd.
Structurele bekostiging is van belang voor de implementatie van transmurale palliatieve zorg, zoals beschreven in het Kwaliteitskader palliatieve zorg Nederland. Sinds twee jaar loopt er een NZa-experiment in de regio Oss-Meijerijstad-Maashorst om de meerwaarde van de vier innovatieve prestaties vast te stellen. Stichting PZNL ondersteunt deze regio in afstemming met de NZa en zorgverzekeraars VGZ en CZ. Eind augustus 2025 is akkoord gegeven op verlenging van het experiment tot en met 2027. Gesprekken met de NZa over structurele bekostiging zijn gestart.
Hieronder volgt een korte beschrijving van de prestaties:
Prestatie 1. Transmurale coördinatie & continuïteit palliatieve zorg
Deze prestatie betreft de voorzieningen die nodig zijn om, gedurende het gehele zorgproces, ad hoc en structureel samenwerken tussen generalisten en in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgverleners in een regio mogelijk te maken. Dit omvat bijv. intensieve coördinatie van zorg door de generalist voor complexe palliatieve patiënten en structureel multidisciplinair overleg (mdo) generalisten en in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgverleners, bijvoorbeeld volgens de PaTz-methodiek.
Prestatie 2a. Steun en Consultatie bij Palliatieve zorg (SCOP): telefonische consultatie
De prestatie SCOP-telefonisch betreft telefonische steun en consultatie aan de generalistische zorgverlener bij complexe palliatieve zorg; in de meeste gevallen zal dit de hoofdbehandelaar zijn. De prestatie kan worden uitgevoerd door een in palliatieve zorg gespecialiseerde arts of verpleegkundig specialist op verzoek van de hoofdbehandelaar van de patiënt. Onder de prestatie wordt het totaal aan activiteiten van de SCOP-arts/verpleegkundig specialist begrepen naar aanleiding van een SCOP-verzoek, waaronder:
- het overleg met de hoofdbehandelaar
- het bestuderen van het medisch dossier ten behoeve van de SCOP
- het advies en de verslaglegging ten behoeve van de hoofdbehandelaar
- het afsluitend overleg met de hoofdbehandelaar voor onder meer bespreking van het advies
Prestatie 2b. Steun en Consultatie bij Palliatieve zorg (SCOP): bedside consultatie
Deze prestatie betreft steun en consultatie bij complexe palliatieve zorg aan de patiënt en diens omgeving en de hoofdbehandelaar. Deze prestatie kan worden uitgevoerd door een in palliatieve zorg gespecialiseerde arts of verpleegkundig specialist op verzoek van de hoofdbehandelaar van de patiënt. Onder de prestatie wordt het totaal aan activiteiten van de SCOP-arts/verpleegkundig specialist begrepen naar aanleiding van een SCOP-verzoek. Het totaal aan activiteiten zoals beschreven onder prestatie 2a is onderdeel van prestatie 2b. In aanvulling op deze activiteiten valt het uitvoeren van bedside consultatie (s) bij de patiënt en diens omgeving door een in palliatieve zorg gespecialiseerde arts of verpleegkundig specialist onder deze prestatie. De huisarts, medisch specialist of specialist Ouderengeneeskunde blijft hoofdbehandelaar en de (wijk)verpleging blijft de reguliere zorg bieden.
Prestatie 3. Regiefunctie complexe palliatieve zorg
Als de zorgvraag van de patiënt dusdanig complex blijkt of wordt, dat continuïteit van specialistische ondersteuning wenselijk is, kan voor de palliatieve zorg een in palliatieve zorg gespecialiseerde verpleegkundige worden ingeschakeld. Deze prestatie omvat een traject waarin een in palliatieve zorg gespecialiseerd verpleegkundige of verpleegkundig specialist de patiënt, diens naasten en diens zorgverleners voor complexe palliatieve zorg begeleidt, adviseert en/of behandelt. Ook dan blijft de (generalistische) huisarts, medisch specialist of specialist Ouderengeneeskunde hoofdbehandelaar en biedt de (wijk)verpleging de reguliere zorg.
De NZa heeft deze innovatieve zorgprestaties op tijdelijke basis goedgekeurd, zodat zorgorganisaties samen met zorgverzekeraars na kunnen gaan of hiermee tot een betere kwaliteit van palliatieve zorg tegen gelijke of lagere kosten kan worden bereikt. Wanneer dit zo blijkt te zijn, kan de NZa besluiten de prestaties structureel in te voeren. Zoals aangegeven heeft de NZa verlenging van het experiment goedgekeurd, zodat er meer tijd is voor het aantonen van de meerwaarde en het vormgeven van een landelijke betaaltitel.
Meer tijd voor TAPA$-bekostigingsexperiment!
In samenwerking met alle betrokkenen is de looptijd van het experiment met twee jaar verlengd. Dit betekent dat de zorgaanbieders en zorgverzekeraars die al gebruik maken van de TAPA$-prestaties, ook gedurende de verlengde experimenteerperiode tot en met 31 december 2027 gebruik kunnen maken van de prestaties. Transformatieregio’s die een of meerdere TAPA$-prestaties willen inzetten, kunnen – na overleg met en akkoord van de preferente zorgverzekeraar – ook van deze prestaties gebruik maken. Om de TAPA$-prestaties te kunnen declareren, moeten een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder overstemming hebben over aantallen en tarieven en dat vastleggen in een contract. Daarnaast moeten ze samen een zogeheten Aansluitovereenkomst indienen bij de NZa.
Een lokaal experiment starten vraagt vanwege de interdisciplinaire en transmurale opzet om voldoende organisatiekracht in de regio, gedegen voorbereiding en een goede samenwerking tussen zorgaanbieders onderling en met zorgverzekeraars.
Op Palliaweb is de Aanpak transmurale samenwerking in de palliatieve zorg gepubliceerd.117 In deze Aanpak staat het opzetten of verder uitbouwen van een Transmuraal team Palliatieve Zorg centraal, in combinatie met de implementatie van het gebruik en declareren van de TAPA$-prestaties. Met de Aanpak wil het NPPZ II-programma zorgaanbieders, die transmuraal willen samenwerken, daar passende/goede afspraken over willen maken en daarvoor ook passend gefinancierd willen worden, op weg helpen met goede informatie.
2.7 Experimenten met alternatieve bekostiging
In 2024 zijn verschillende experimenten op het gebied van ‘alternatieve bekostiging van palliatieve zorg’ gestart. In deze experimenten staat een andere, alternatieve, manier van bekostigen centraal. Bijvoorbeeld door zorgaanbieders gezamenlijk één bedrag per patiënt te betalen voor (een groot deel van) alle (palliatieve) zorg, waarbij de verantwoording per losse betaaltitels mogelijk komt te vervallen. Hierdoor krijgen zorgaanbieders naar verwachting meer ruimte, flexibiliteit en vertrouwen om de zorg te organiseren en te leveren, zoals zij denken dat dat het meest passend is voor hun patiënten. Tegelijkertijd gaan ze door een dergelijke alternatieve manier van bekostigen naar verwachting ook meer financiële verantwoordelijkheid dragen voor de (integrale) kwaliteit en kosten van de zorg en dat kan (financiële) risico's met zich meebrengen.
De drie experimenten lopen nu. De eerste twee jaar (tot eind 2026) betreft een ‘ontwikkelfase’ waarin het streven van de experimenten is om met alle lokale belanghebbenden (zorgaanbieders, zorgverzekeraar(s), etc.) te komen tot werkbare contractafspraken op basis van een alternatief bekostigingsmodel. Na 2026 (als de alternatieve contractafspraken van kracht zijn) volgt een ‘implementatiefase’, die zal doorlopen tot 2031 om de effecten van de andere manier van bekostigen adequaat te kunnen evalueren. Op de website van de NZa is actuele informatie over het traject te vinden.
Het gaat om 3 experimenten:
- Alternatieve bekostiging van vroege palliatieve zorg bij patiënten met een kwaadaardige hersentumor (LUMC)
- Implementatie van een acuut hospice bed: op weg naar gepaste zorg in de laatste levensfase (AUMC en Hospice Kuria)
- Transmurale palliatieve zorg voor mensen met longfibrose (Erasmus MC)
2.8 Knelpunten thuis
Dit hoofdstuk geeft zicht op de zorg die niet of nog niet kan worden gedeclareerd. Hiermee borduurt dit hoofdstuk voort op het hoofdstuk ‘Knelpuntenanalyse’ uit voorgaande versies van de Handreiking. Dat hoofdstuk is voortaan opgedeeld in een hoofdstuk 6 ‘Knelpunten’ en hoofdstuk 7 ‘Opgeloste knelpunten’. De nieuwe Handreiking geeft de actuele stand van zaken weer per 2026.
|
Knelpunten huisarts 2017 |
Stand van zaken 2026 |
|
Structurele financiering transmuraal team Er zijn momenteel slechts beperkte mogelijkheden voor het bekostigen en contracteren van de samenwerking van zorgverleners in een transmuraal team. Bijvoorbeeld voor transmurale MDO's, transmurale bedside consultaties en de inzet van casemanagement/regiefunctie palliatieve zorg.179 Dit knelpunt staat nu bij huisartsen maar geldt, afhankelijk van de lokale inrichting van het transmurale team Palliatieve Zorg, ook voor andere zorgverleners in dat team. |
Een oplossing voor dit knelpunt kan liggen in de contractafspraken die zorgverzekeraars en zorgaanbieders met elkaar kunnen maken over de prestaties in het TAPA$-experiment. Zie toelichting op TAPA$ in paragraaf 2.6. |
|
Deelname huisarts aan PaTz-groep niet structureel bekostigd |
Deelname van de huisarts aan PaTz (indirect patiëntgebonden tijd) zit net als andere MDO’s verdisconteerd in de tarieven voor de direct patiëntgebonden tijd, oftewel het consult- en inschrijftarief. Binnen de huisartsenfinanciering zijn er daarnaast mogelijkheden om hierover aanvullende maatwerkafspraken te maken in segment 3. Verschillende zorgverzekeraars onderschrijven de toegevoegde waarde van PaTz ten opzichte van een regulier Multidisciplinair overleg (mdo) en voorzien in een (tijdelijke) financiering vanuit segment 3. Echter, de financiering vanuit segment 3 is vanuit zijn aard tijdelijk. In de uitwerking van de visie 2030 1e lijn is een handreiking Contractering regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden opgeleverd. Daarin staat dat een van de hoofdtaken van het RESV het maken van zorginhoudelijke afspraken over specifieke patiëntengroepen (bijvoorbeeld patiënten in de palliatieve fase) is. Deze zorg kan vanaf 2027 worden gecontracteerd. |
|
Structurele financiering voor proactieve zorgplanningsgesprekken |
Voor proactieve zorgplanningsgesprekken hebben huisartsen de mogelijkheid om een lang consult te declareren (>20 minuten). In de praktijk duren deze gesprekken echter aanzienlijk langer, waardoor het tarief als ontoereikend wordt ervaren. De NZa werkt momenteel aan proactieve zorgplanning per 2027 structureel en landelijk te bekostigen vanuit S1. Tot dat moment kan er ruim in S3 geëxperimenteerd worden tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. De NZa ziet dit als een kans om te onderzoeken en te leren hoe proactieve zorgplanning kan aansluiten bij de praktijk. |
| Knelpunten wijkverpleging 2017 |
Stand van zaken 2026 |
|
Terminaliteitsverklaring (Zvw) Bekostiging van vroege inzet van palliatieve zorg (wanneer de prognose nog langer is dan drie maanden), is onduidelijk.
|
Terminaliteitsverklaring meestal niet meer nodig In 2019 hebben betrokken partijen afgesproken dat een terminaliteitsverklaring niet meer nodig is, omdat het niet patiëntvriendelijk is, onnodige administratieve handelingen oplevert en het nooit met zekerheid te zeggen is of de levensverwachting daadwerkelijk korter is dan drie maanden. De afschaffing geldt vooralsnog met uitzondering van aanvragen van een PGB voor zorg in de palliatief terminale fase.193 Nog steeds dient de noodzaak van de in te zetten zorg te blijken uit voldoende onderbouwing in het zorgplan. Van de wijkverpleegkundige wordt verwacht dat hij/zij de zorginzet en de conclusies van het overleg met de huisarts over het aanbreken van de laatste levensfase vastlegt in het zorgdossier. |
|
Nazorg (Wlz & Zvw) Voor nazorg is geen aparte bekostiging. Het is onderdeel van de tarieven van de prestaties en daardoor niet transparant welke nazorg precies geleverd is. |
Kostenonderzoeken In de kostprijsaanleveringen wordt de nazorg meegenomen voor zowel de Zvw als de Wlz, zodat de kosten van nazorg na overlijden geborgd zijn met een adequaat tarief. |
2.9 opgeloste knelpunten thuis
Dit hoofdstuk geeft het overzicht van knelpunten voor het declareren van palliatieve zorg die in de afgelopen jaren zijn opgelost.
|
Knelpunten specialist |
Stand van zaken 2026 |
|
Inzet specialist ouderengeneeskunde
|
Vergoeding specialist ouderengeneeskunde in de thuissituatie per 1 januari 2020 via de Zvw De zorg door de specialist ouderengeneeskunde in de thuissituatie voor patiënten zonder Wlz-indicatie wordt vanaf 2020 niet langer bekostigd via de tijdelijke subsidieregeling extramurale zorg, maar vanuit de Zvw (zie paragraaf 2.2.1). |
|
Knelpunten wijkverpleging 2017 |
Stand van zaken 2026 |
|
Hoort een patiënt in de Wlz of de Zvw? Als patiënten thuis willen sterven, kan het gebeuren dat de verzekeraar aanstuurt op een overgang naar bekostiging vanuit de Wlz als de zorgvraag oploopt.220 |
Bij PTZ-overgang niet mogelijk Als een patiënt nog geen Wlz-indicatie heeft, zal het CIZ deze niet meer afgeven als er sprake is van een terminale situatie.221 In de PTZ kan een patiënt niet overgaan van de Zvw naar de Wlz. Voor aanvang van de PTZ, kiest de patiënt zelf of hij een indicatieaanvraag voor de Wlz indient of niet.222 |
|
24-uurs zorg (Zvw) Zorgaanbieders geven aan dat zij soms nachtzorg willen inzetten, maar dat de zorgverzekeraar het daar niet altijd mee eens is. |
Intensieve zorg 24-uurs zorg wordt voortaan ‘intensieve zorg’ genoemd.223 Zorginstituut Nederland heeft in een nadere duiding aangegeven op welke manier deze zorg onder de verzekerde zorg valt.224 V&VN heeft in het ‘Begrippenkader indicatieproces’225 verheldert hoe de wijkverpleegkundige deze zorg kan indiceren. Zie verder paragraaf 2.1.2. |
|
Indicatiestelling VV 10 door CIZ (Wlz)
|
Per 1 januari 2018 afschaffing indicatiestelling VV 10 door CIZ (Wlz) Vanaf 1 januari 2018 kan voor patiënten die reeds een indicatie voor de Wlz hebben VV 10 worden gedeclareerd. Dit kan als de behandelend arts inschat dat de levensverwachting korter dan drie maanden is. Het volstaat dat deze levensverwachting is opgenomen in het dossier van de patiënt, voor toetsing bij de materiële controle.227 Een indicatie door het CIZ is hiervoor niet (meer) nodig. Zie voor verdere toelichting paragraaf 2.1.2.228 |
|
Tarief Eerstelijnsverblijf (Zvw) Eerstelijnsverblijf is een kort verblijf in een zorginstelling of een verpleeghuis. Het tarief is niet altijd toereikend voor de zorg in de instelling. |
De NZa heeft een kostenonderzoek uitgevoerd en per 1 januari 2025 zijn de tarieven voor het eerstelijnsverblijf palliatieve zorg in de laatste levensfase fors verhoogd. |
|
Tarieven en budgetplafond (Zvw) De tarieven en het budgetplafond voor verpleging en verzorging worden als krap ervaren voor het leveren van zorg door hoger geschoold personeel of zorg aan bijzondere doelgroepen (zoals terminale patiënten). Toelichting op knelpunt: Uit een analyse van declaratiegegevens door de NZa bleek dat in 2016 de historische verhouding gemiddeld 80 procent persoonlijke verzorging en 20 procent verpleging was.2 |
Contractering Het is aan zorgaanbieders en zorgverzekeraars samen om met elkaar passende afspraken te maken over de tarieven van de prestaties.
In het AZWA is afgesproken dat terminale zorg en stervensbegeleiding ongehinderd kunnen worden geleverd (C7) |
|
Casemanager palliatieve zorg Bekostiging van (de rol van) een casemanager palliatieve zorg is onderdeel van de prestaties verpleging en verzorging. Het is niet als zodanig geoormerkt. Als de tarieven voor de prestaties krap zijn, is er te weinig ruimte om zorgverleners als casemanager in te kunnen zetten. |
Casemanager palliatieve zorg Er zijn in verschillende regio’s financieringsafspraken gemaakt over (de rol van) casemanager binnen de V&V. Zo wordt het in enkele regio’s bekostigd via de prestatie Advies, Instructie en Voorlichting (AIV), of via de Vektiscode ‘ziekenhuisverplaatste zorg’ (1121). |
|
Knelpunten Geestelijke verzorging 2017 |
Stand van zaken 2026 |
|
Structurele bekostiging voor elke patiënt
|
Bekostiging via de subsidieregeling voor Netwerken Palliatieve Zorg De subsidieregeling voor Netwerken Palliatieve Zorg die zou komen te vervallen per 2022, is met vijf jaar verlengd.. De inzet van geestelijk verzorgers in de eerstelijn op basis van deze regeling blijft daarmee in principe mogelijk tot 1 januari 2027, zie paragraaf 2.2.3.233 |