Cardioloog Thijs Plokker over proactieve zorgplanning bij patiënten met hartfalen: ‘Hoe langer je wacht, hoe zwaarder het gesprek gaat worden’
- Datum publicatie 30 juni 2026
- Auteur Rob Bruntink
- Soort publicatie interview
De verhouding tussen cardiologie en palliatieve zorg was lange tijd wat ijzig te noemen, maar inmiddels komt daar een positieve verandering in, stelt Thijs Plokker, cardioloog in het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda. Ook proactieve zorgplanning raakt in zijn ziekenhuis steeds meer geïntegreerd in de zorgverlening voor patiënten met chronisch hartfalen.
De precieze periode weet Plokker niet meer te duiden, maar ergens in zijn 20-jarige carrière is hij wat vaker de vraag ‘Wat is belangrijk voor u?’ gaan stellen aan de patiënten die hij ontmoette. ‘Zo’n open vraag is een goede manier om van iemand te horen wat hem of haar beweegt’, zegt hij. ‘Soms hoor je terug hoe belangrijk het voor iemand is om nog dagelijkse dat rondje met de hond te kunnen lopen. Een ander begint juist over het belang van contact met de partner of familieleden. Dat zegt iets over wie iemand is. Tegelijkertijd heeft de vraag voor mij als professional grote waarde, omdat het mij helpt in te schatten wat ik voor iemand kan betekenen.’
'Hartproblemen roepen al snel de angst op om dood te gaan’
De vraag is een wezenlijk onderdeel van de proactieve zorgplanning die sinds relatief kort furore maakt in de ziekenhuiswereld. Bij patiënten met hartfalen is er over het algemeen misschien wat minder prognostische zekerheid dan bij patiënten met een oncologische aandoening. Toch hoeft dat volgens Plokker geen reden te zijn om terughoudend te zijn met PZP-gesprekken: ‘Problemen hebben met je hart, dat hakt er vaak best wel in bij patiënten. Het roept al snel de angst om dood te gaan op. Of het roept gedachten over vergankelijkheid op. Dat maakt het behoorlijk logisch om samen naar de toekomst te kijken in de context van proactieve zorgplanning.’
De ‘moet alles wat kan-vraag’ speelt nadrukkelijk op in de cardiologie, geeft Plokker aan. Ook dat zorgt ervoor dat PZP-gesprekken een logisch onderdeel van de cardiologische zorg zijn. ‘Je kunt bijvoorbeeld tot op zeer hoge leeftijd een nieuwe hartklep krijgen. Maar ik vind het onderdeel van goed zorgverlenerschap als je daarbij de vraag ‘Wil je dat wel?’ aan je patiënten voorlegt. Zeker als het om 80- of 90-jarigen gaat.’ In zijn beleving ervaren patiënten dit als zeer waardevolle, zinnige gesprekken. ‘Patiënten merken op deze manier dat ze gehoord worden.’
‘In een kwartier kun je heel veel bespreken’
Of dergelijke gesprekken niet heel veel tijd kosten? ‘Nee, dat is niet mijn ervaring’, zegt Plokker. ‘De reguliere gesprekstijd op de poli is een kwartier. In zo’n kwartier kun je heel veel bespreken. En mocht het meer tijd vragen, dan loopt het iets uit. Of we maken een afspraak voor een vervolggesprek. Maar in de regel is er tijd genoeg.’
De juiste timing voor PZP-gesprekken is bij patiënten met hartfalen misschien wat lastiger dan voor patiënten met oncologische aandoeningen, geeft Plokker aan, maar dat mag geen excuus zijn om die gesprekken níet te voeren. ‘Ik vaar op dit punt behoorlijk sterk op mijn intuïtie’, zegt Plokker. ‘In de contacten die je na een eerste opname met een patiënt hebt, leer je ze steeds beter kennen. Je ziet hoe hun hartfalen zich ontwikkelt. En welke klachten ze krijgen. Ik probeer gesprekken over de toekomst, en over hoe zij die zien, op een zo natuurlijk mogelijke wijze in het contact te integreren. Als ik met terugwerkende kracht bekijk wat mijn intuïtie voedt, dan kunnen dat uiteenlopende zaken zijn. Soms is het een slechte uitslag van een onderzoek. Maar soms is het ook juist een goede uitslag. Want dan is er even rust. En voelt dat als ‘het goede moment’.
Wat Plokker zeker wil voorkomen is dat hij het gesprek, ondanks zijn intuïtie, gaat uitstellen. ‘Want hoe langer je wacht, hoe zwaarder het gesprek gaat worden.’ Als hij moet schatten hoeveel tijd er zit tussen het eerste gesprek en het uiteindelijke overlijden van de patiënt, komt hij uit op zo’n twee jaar. ‘Dan kun je gedurende een ruime palliatieve levensfase een vinger aan de pols houden. En kun je je zorg, daar waar nodig, aanpassen aan de veranderende wensen en behoeften.’ Voor de patiënt levert het uitstrekken van die PZP over een paar jaar tijd ook de meeste winst op, schat Plokker in. ‘Zo kun je patiënt tijdig stimuleren na te denken over zijn toekomst. Of kun je hem adviseren bepaalde maatregelen – denk aan testament, uitvaart of digitale nalatenschap – op tijd te treffen. Ik ben ervan overtuigd dat dit een betere levenskwaliteit oplevert.’
Tussen ‘nodeloos ongerust maken’ en ‘goed voorlichten’
Ondanks dat patiënten bij de vaststelling van hartproblemen aan de dood en de vergankelijkheid van het leven kunnen denken, dringt het besef dat zij daadwerkelijk aan de gevolgen van hartfalen kunnen overlijden niet altijd door, is de ervaring van Plokker. ‘In het besef over de dodelijkheid van hartfalen valt nog wel wat winst te behalen’, zegt hij dan ook. Aan de andere kant vindt hij het ook weer niet zo raar dat dat besef, in het algemeen gesproken, aan de lage kant is. Want: hartfalen bestaat in allerlei varianten, van licht tot zeer zwaar. ‘In het benoemen van die potentieel dodelijke kant schipper je dus voortdurend tussen ‘nodeloos ongerust maken’ aan de ene kant en ‘goed voorlichten’ aan de andere kant.’ Medici spreken vaak over vier verschillende stadia van hartfalen, passend bij de onderverdeling die de New York Heart Association ooit maakte. Voor Plokker geldt dat hij gesprekken over de toekomst zeker aangaat bij patiënten die op basis van hun klachten geclassificeerd worden met klasse NYHA-III.
Anders dan veel andere ziekenhuizen, werkt het Groene Hart Ziekenhuis nog niet met een elektronisch patiëntendossier waarin zorgverleners de informatie uit PZP-gesprekken in een aparte module kunnen invoeren. ‘We schakelen in november over op HiX, dan kunnen we die aparte module ook gaan gebruiken’, zegt Plokker. ‘Tot dan zetten we de informatie overwegend in de vrije ruimte die ons huidige systeem ons biedt.’
‘Integratie heeft de juiste snelheid’
Of proactieve zorgplanning volledig geïntegreerd zal zijn op de afdeling cardiologie, na het in gebruik nemen van het nieuwe EPD? ‘Nee, zover zijn we nog niet’, zegt Plokker. ‘Het staat bij alle tien cardiologen van ons ziekenhuis op de agenda en het krijgt steeds vaker een duidelijke plek in de zorgverlening. Ik denk dat die organische groei het beste werkt. Er is nu geen behoefte aan acceleratie. Het heeft de juiste snelheid.’