Als pijn geen wond heeft
- Soort publicatie artikel
Onderstaand gedicht stelt de leefwereld centraal van mensen met een chronische aandoening, evenals de onmisbare rol van hun naasten, mantelzorgers en netwerken die hen omringen. Het geeft hun erkenning voor zowel het volharden in stilte als de voortdurende strijd om onzichtbare pijn begrijpelijk te maken voor de buitenwereld.
Als antwoord hierop reikt het gedicht kunst aan als een middel om voorbij woorden expressie te geven aan deze ervaring. Kunst eist geen medisch bewijs of verantwoording, maar biedt een vorm waarin het verborgen lijden mag bestaan en simpelweg gezien, gehoord en erkend kan worden.
Niemand ziet het komen.
Het kondigt zichzelf niet aan met bloed,
met verband,
met het soort wond
dat een kamer
de adem doet inhouden.
Het komt stil,
glipt in de gewrichten van de dag,
zit achter de ogen,
nestelt zich in de adem,
verandert eenvoudige uren
in zware beproevingen.
Toch leert het gezicht
zich normaal te houden.
Toch stapt het lichaam kamers binnen
alsof er niets van binnen
zwaarder weegt
dan waar het woorden voor heeft.
En dit is hoe pijn overleeft,
niet alleen in zenuwen of botten,
maar in de lange discipline
van in twijfel getrokken worden,
in de vermoeiende kunst
om er goed genoeg uit te zien
zodat anderen
ophouden met vragen.
Hoe vaak
moet een lichaam zichzelf uitleggen
voordat stilte
ook een symptoom wordt.
Hoe vaak
moet lijden zijn stem verzachten
om aanvaardbaar te klinken
voor hen die alleen vertrouwen
op wat gezien kan worden.
Dus breng ik het elders heen.
Naar papier.
Naar kleur.
Naar ritme.
Naar de kleine, geduldige wereld
van handen die maken
wat taal alleen niet dragen kan.
Daar komt de pijn los.
Een lijn buigt eronder.
Een schaduw verzamelt haar gewicht.
Een gebroken kleur vindt haar rand.
Wat onbenoemd leefde
begint vorm te krijgen.
In zang,
wordt het adem
zonder verontschuldiging.
In klei,
wordt het een last
die ik kan aanraken
zonder me te hoeven verdedigen.
In draad
wordt het herinnering,
langzaam gehaald door de huid
van het alledaagse.
En in dat vormen
verandert er iets.
Niet omdat de pijn weg is,
niet omdat het lichaam
is hersteld
tot wat anderen normaal noemen,
maar omdat wat verborgen was
niet langer alleen gelaten wordt
in mij.
Kunst eist geen bewijs.
Het vraagt de pijn niet
om haar scherpte op te voeren.
Het vraagt niet om bewijsmateriaal
geschikt voor comfort.
Het blijft.
Het luistert.
Het geeft het onzichtbare
een plek om te staan.
En soms
is dat waar genezing begint,
niet in genezing,
niet in zekerheid,
maar in gezien worden.
Door een pagina.
Door een melodie.
Door een paar handen
dat bereid is te blijven
bij wat de wereld
niet heeft leren lezen.
Laat dat genoeg zijn,
voor een moment.
Geen uitleg,
maar aanwezigheid.
Geen correctie,
maar vorm.
Geen medelijden,
maar een stem
die eindelijk
haar getuige ontmoet.
Commentaar
Prachtig hoe dit gedicht woorden geeft aan onzichtbare pijn. Kunst biedt deze pijn een vorm die niet om bewijs, verantwoording of herstel vraagt, maar het laat deze er simpelweg zijn. Het verplaatst de pijn van ‘alleen van binnen’ naar iets wat aanraakbaar en zichtbaar wordt.
Als maatschappij en zorgpraktijk verlangen we vaak naar visueel of medisch bewijs van lijden. Maar goede zorg begint niet bij de reflex om ‘het op te lossen’, maar bij presentie: de bereidheid om stil te blijven staan en oprecht getuige te zijn van en te luisteren naar wat niet direct zichtbaar is. Echte erkenning begint al bij het simpelweg erkend worden in de hoedanigheid van iemand die iets mankeert (Van Heijst, Iemand zien staan, 2008) – zonder dat daar ooit een bewijslast tegenover hoeft te staan.
Daarom heb ik dit gedicht vertaald: om de mensen die wel in ons blikveld zijn, maar die we niet echt ‘zien’, de erkenning te geven die ze verdienen. Een erkenning van het dagelijks leven met een kwetsbaarheid die niet opgelost hoeft te worden om te mogen bestaan.
Erika Dubbeldam – zorgethica en verpleegkundige
Deze bijdrage is onderdeel van e-pal - editie september 2026. Alle e-pal-artikelen staan hier.