Behandeling van hik in de palliatieve fase
- Datum publicatie 1 maart 2026
- Auteur Das A et al.
- Soort publicatie artikel
Chronische hik is een lastig te behandelen klacht en heeft een grote impact op de kwaliteit van leven.
In 2022 is de richtlijn hik herzien. In dit recente review heeft men gekeken naar alle beschikbare studies over farmacologische behandeling tegen hik in de palliatieve fase tot en met januari 2025. Leidt dit mogelijk tot betere behandelopties?
Opzet
De review heeft de volgende twee vragen als uitgangspunt:
- Welke farmacologische behandelingen verminderen of stoppen chronische en onbehandelbare hik bij patiënten in de palliatieve fase, en hoe effectief zijn deze?
- Wat zijn de ervaringen van patiënten, naasten en zorgverleners met deze farmacologische interventies?
Er zijn ruim negentig studies geïncludeerd, 24 procent van na 2022. Het merendeel bestaat uit casusbeschrijvingen en kleine case series, aangevuld met brieven aan de redactie en een paar samenvattingen. Slechts een heel klein deel bestond uit hogere‑kwaliteitsonderzoeken: één RCT, één quasi-experimentele studie, en één mixed‑methods onderzoek. Er zaten twee kwalitatieve studies in de set.
Resultaten
Middelen die aangrijpen op het GABA‑systeem, zoals baclofen en gabapentine, werden het meest als werkzaam gerapporteerd (vaak snelle complete of partiële respons). Metoclopramide liet in de enige RCT géén overtuigend effect zien versus placebo. Het effect van verschillende dopamine‑antagonisten en antipsychotica, (chloorpromazine, haloperidol, olanzapine en risperidon) was wisselend.
Een benzodiazepine, zoals midazolam of lorazepam werd vooral genoemd voor comfort/palliatieve controle bij refractaire hik, niet primair voor complete stop. Calciumantagonisten (zoals nifedipine) en lidocaïne lieten in kleine reeksen incidenteel deels verbetering zien. Een corticosteroïd‑rotatie (bij dexamethason‑geïnduceerde hik) en opioïdrotatie kwamen naar voren als zinvol wanneer dat als uitlokkende factor werd vermoed.
Als overige interventies werden nog genoemd: methylfenidaat, cannabis, vitamine B12, pepermuntolie‑inhalatie, azijn (oraal of intranasaal) en zoutverneveling.
De patiënt, naasten en zorgverleners omschreven in de kwalitatieve studies hun ervaring met behandeling vooral als frustrerend, onmachtig en weinig voorspelbaar. Opvallend was dat patiënten gaandeweg het behandeltraject het behandeldoel aan gingen passen. In plaats van te streven naar het volledig verdwijnen van de hik, gingen ze zich uiteindelijk meer richten op het verlichten van de last: langere pauzes tussen de hikken, weer kunnen slapen, eten of een gesprek voeren.
Discussie
De meeste van de kwantitatieve studies waren van lage kwaliteit. Sommige resultaten, met name voor de GABA-middelen leken veelbelovend. Hierbij is echter een heel groot risico op vertroebeling door publicatiebias: een casusbeschrijving wordt meestal pas ingezonden als het een succesverhaal is. Een betrouwbaar RCT is moeilijk voor deze, te diverse en kwetsbare, doelgroep.
Conclusie
Hoewel de literatuur veel middelen beschrijft die geprobeerd zijn, blijft het bewijs over hun effectiviteit zwak. Het beetje bewijs voor effectiviteit bij bepaalde geneesmiddelen komt niet overeen met de ervaringen van patiënten en zorgverleners uit de kwantitatieve studies. Die beschrijven vooral falende behandelingen, lijdensdruk en frustratie. Een realistisch doel van behandeling van hik lijkt niet het verdwijnen, maar vooral het verlichten van de impact op de kwaliteit van leven.
Commentaar
Jammer dat er geen nieuw wondermiddel gevonden is! Desondanks vond ik het een leerzaam artikel. Het is dus enorm belangrijk om de verwachtingen van de patiënt en naasten realistisch te houden. Denk vooral ook aan niet medicamenteuze interventies in om de last dragelijker te maken, zoals ontspannings- en ademhalingsoefeningen.
Floor Bols, specialist ouderengeneeskunde en palliatieve zorg
Das A et al. “Pharmacotherapy for Chronic & Intractable Hiccups in Palliative Care: A Mixed Methods Systematic & Umbrella Review.” J Pain Symptom Manage. 2026 Mar;71(3):336-358. doi: 10.1016/j.jpainsymman.2025.11.010
Deze bijdrage is onderdeel van e-pal - editie maart 2026. Alle e-pal-artikelen staan hier.