Oorzakelijke en beïnvloedende factoren

Inzicht in de onderliggende oorzakelijke en beïnvloedende factoren is essentieel om gerichte (oorzakelijke) interventies in te zetten om (de kans op) depressie te verminderen.  
Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in a) predisponerende factoren die verwijzen naar algemene factoren die kwetsbaar maken om een depressie te ontwikkelen en b) biologische - en psychosociale risicofactoren die vaak depressie luxeren en/of de kans op het krijgen van depressie verhogen [Fujisawa 2018, Rosenblat 2020].

Predisponerende factoren die een rol spelen bij depressieve symptomen/depressieve stoornis

  • Jongere leeftijd; 
  • Ziekte in vergevorderd stadium;
  • Belaste psychiatrische voorgeschiedenis, eerdere depressieve stoornis;
  • Hechtingsproblematiek en eerdere traumatische life events of stressvolle gebeurtenis (stressor);
  • Het voorkomen van psychiatrische aandoeningen in de familie;
  • Verslavingsproblematiek zoals afhankelijkheid van alcohol of andere middelen;
  • Persoonlijkheidskenmerken (neuroticisme en laag zelfbeeld);
  • Eenzaamheid en gebrek aan sociaal netwerk en sociale steun.

Risicofactoren samenhangend met de onderliggende somatische aandoening

  • Chronische (onvoldoende behandelde) symptomen vooral pijn, dyspneu en vermoeidheid; 
  • Verstoord slaappatroon / slaapstoornissen; 
  • Maligniteit vooral pancreas-, long- en hersentumoren (met name frontaal); 
  • Hersenmetastasen (m.n. frontaal) en leptomeningeale metastasen;
  • Oncologische ulcera (m.n. hoofd/hals- en cervixmaligniteit);
  • Paraneoplastisch syndroom met positieve auto-immuun antilichamen;
  • Endocriene stoornissen (bijv. diabetes mellitus, hypo(para)thyreoidie, bijnierschorsinsufficiëntie, M. Cushing);
  • Neurologische aandoeningen (CVA, dementie, ziekte van Parkinson, MS, ALS);
  • Inflammatie (infectieziekten, auto-immuunstoornissen);
  • Anemie;
  • Vitaminedeficiënties (bijv. vitamine B1, B6, B12 en foliumzuur);
  • Elektrolytstoornissen (hypercalciëmie, hyponatriëmie, hypomagnesiëmie);
  • Slechte lichamelijke en fysieke conditie.

Risicofactoren samenhangend met de behandeling

  • Radiotherapie m.n. totale schedelbestraling;
  • Systemische therapie. Depressie is met name beschreven als bijwerking van antihormonale therapie (tamoxifen, aromatase-remmers, crypteronacetaat), chemotherapie (m.n. vinblastine, vincristine, asparaginase, capecitabine) en immunotherapie met cytokines (interferon, interleukines). Er zijn nog nauwelijks data over depressie als bijwerking van targeted therapy en hedendaagse immunotherapie. 
  • Mutilerende ingrepen. 

Risicofactoren samenhangend met medicatie

  • Corticosteroïden, anabole steroïden;
  • Antihypertensiva, m.n. lipofiele beta blokkers (propanolol) [Verbeek 2010]; 
  • Cholesterolverlagende medicatie (colestyramine, pravastatine);
  • Antibiotica (amfotericine, ethionamide);
  • Opioïden;
  • (Onttrekking van) alcohol, nicotine, drugs, opioïden, corticosteroïden.         

Risicofactoren samenhangend met psychosociale factoren

  • Inadequate en beperkte coping;
  • Verandering in uiterlijk;
  • Rolverlies;
  • Controleverlies en onzekerheid over toekomst;
  • Verlies van onafhankelijkheid /autonomie;
  • Verlies van waardigheid; 
  • Sociale isolatie.

Depressie bij patiënten met (ernstige) somatische aandoeningen ontstaat door een wisselwerking van biologische, psychologische, sociale, iatrogene (door behandeling/medicatie) en leefstijl risicofactoren.
Het lijkt erop dat er veelal sprake is van een disbalans tussen draagkracht en draaglast bij premorbide kwetsbaarheid [Fujisawa 2018, Rosenblat 2020].
Hoewel de literatuur niet eenduidig is, is er bewijs dat een hoge symptoomlast zoals pijn, angst, benauwdheid, misselijkheid en slaapproblemen het risico op depressie significant kan vergroten. Vaak is er sprake van een wederzijdse beïnvloeding, bijv. tussen pijn en depressie en tussen vermoeidheid en depressie [Mercadante 2017, Panagioti 2014, Rhondali 2012, Rowbottom 2017, Salvo 2012].
Er is een toegenomen evidentie voor biologische ziekte-specifieke factoren waarbij immuunactivatie en (neuro)inflammatie een belangrijke rol spelen [Leonard 2018, Rosenblat 2014, Rosenblat 2020]. 

Depressie als onderdeel van een symptomencomplex, geassocieerd met somatische aandoeningen waarbij ontstekingsreacties optreden (pro-inflammatoire cytokinen) wordt ook wel ‘sickness behavior’ genoemd [D’Mello 2017]. Dit wordt gekenmerkt door anorexie, gewichtsverlies, lethargie, malaise, lusteloosheid, interesse- en initiatiefverlies, depressie, angst, cognitieve dysfunctie en sociale isolatie. Er is een grote overlap tussen ‘sickness behavior’ in de palliatieve fase en het anorexie-cachexiesyndroom (zie richtlijn Anorexie en gewichtsverlies).

In de DSM-5 classificatie wordt binnen de depressieve stoornis onderscheid gemaakt tussen (causale) verbanden met somatische aandoeningen en/of (genees)middelen. Zo wordt gesproken van een stemmingsstoornis door een somatische aandoening en/of een stemmingsstoornis door (genees)middelengebruik. 

Bij een depressie moet altijd bekeken worden of de depressieve stemming het fysiologische effect is van een bijkomende medische aandoening dan wel van de voorgeschreven medicatie (zie risicofactoren).

Wanneer de conclusie is dat de aanpassingsstoornis met depressieve stemming dan wel de depressieve stoornis het gevolg lijkt van genoemde aandoeningen of medicatie, moet worden beoordeeld of het effect van de behandeling van de aandoening (indien mogelijk) afgewacht kan worden of dat de indicatie voor het voorgeschreven medicament kritisch moet worden heroverwogen om te bezien of dit alsnog gestaakt kan worden (medicatieboordeling eventueel met apotheker) (zie module Behandeling van oorzakelijke en beïnvloedende somatische factoren).

Vernieuwde weergave Pallialine
Zoals u ziet heeft Pallialine een nieuw uiterlijk gekregen. Aan de inhoud van de richtlijnen is niets gewijzigd.