Voedingsinterventies

Bij de behandeling van patiënten in de palliatieve fase met anorexie, verminderde voedingsinname en/of gewichtsverlies wordt gebruik gemaakt van voedingsinterventies. Onder voedingsinterventies worden in deze module verstaan aanpassingen van de voeding en/of gebruik van voedingssupplementen. Onder voedingssupplementen vallen drinkvoedingen maar ook producten in de vorm van pillen, poeders en capsules, bedoeld als aanvulling op de dagelijkse voeding.
Voedingsinterventies omvatten:

  • het geven van voedingsadviezen: adviezen met betrekking tot de orale voeding en het gebruik van voedingssupplementen of drinkvoeding;
  • sondevoeding;
  • parenterale voeding.

Het primaire doel van voedingsinterventies bij deze patiëntengroep is om de kwaliteit van leven te handhaven of te verbeteren (zie module Doelen van behandeling). In sommige gevallen kunnen voedingsinterventies in de palliatieve fase ook gericht zijn op handhaving of verbetering van de voedingstoestand en/of ondersteuning tijdens ziektegerichte behandeling. Bij progressieve ziekte komt er een moment bij ver voortgeschreden ziekte (waarbij inflammatie op de voorgrond staat en ziektegerichte behandeling niet meer zinvol is) waarop handhaving of verbetering van de voedingstoestand geen haalbaar doel meer is en voedingsinterventies uitsluitend gericht zijn op het welbevinden van de patiënt en herstel van plezier in het eten.

Ten aanzien van het type voeding wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Voeding volgens berekende behoefte. In de praktijk is dit in de meeste gevallen een energie- en/of eiwitverrijkte voeding. Deze is gericht op handhaving of verbetering van de voedingstoestand. Hieronder vallen ook sondevoeding en parenterale voeding.
    Een energie- en/of eiwitverrijkte voeding levert een verhoogde hoeveelheid energie (vaak berekend op basis van geslacht, leeftijd, actueel gewicht en lengte met een toeslag (naast de basale behoefte) van 30-50% voor de ziekte, meestal 25-30 kcal/kg/dag) en/of eiwit (meestal 1,2-1,5 g eiwit/kg/dag bij chronische ziekte) en wordt gebruikt om de voedingstoestand te verbeteren of te handhaven bij verhoogde behoefte aan energie en voedingsstoffen. Bij sommige aandoeningen (bijv. nierfalen) kan een eiwitverrijkt dieet niet wenselijk zijn. 
    Een energie- en eiwitverrijkte voeding is alleen haalbaar en zinvol als de patiënt het verdraagt en het niet ten koste gaat van de kwaliteit van leven. In vergevorderde ziektestadia zal deze voeding zelden haalbaar en effectief blijken. 
    Het betreft meestal patiënten met een levensverwachting van maanden tot jaren.
  • Comfortvoeding (ook wel palliatieve voeding of wensdieet genoemd) is primair gericht op comfort, welbevinden en verlichten van klachten. Het handhaven van de voedingstoestand en het leveren van voldoende energie en voedingstoffen heeft geen prioriteit meer. De patiënt eet wat hij wil en kan eten en laat achterwege wat hij niet wil en/of kan eten. Drinkvoeding draagt in deze situatie meestal niet (meer) bij aan comfort en welbevinden en kan er zelfs een negatieve invloed op hebben. 
    Comfortvoeding is gericht op de actuele situatie en op effecten op korte termijn. Het betreft meestal patiënten waarbij het overlijden binnen 1-2 maanden wordt verwacht.

De besluitvorming over voedingsinterventies in de palliatieve fase wordt mede beïnvloed door wensen, gedachtes [al dan niet reëel] en emoties van alle betrokkenen (zie module Psychosociale begeleiding). Inventarisatie hiervan en goede informatie over haalbare en onhaalbare doelen is van groot belang bij de besluitvorming (zie module Voorlichting).
In deze module wordt ingegaan op voedingsinterventies bij patiënten in de palliatieve fase. Daarbij ligt de focus op patiënten met kanker, COPD, hartfalen en ALS, maar de richtlijn is ook van toepassing op patiënten met andere levensbedreigende ziektes. De rol van voedingsinterventies bij nierfalen en bij dementie blijft buiten beschouwing. Voor voedingsinterventies bij patiënten met dementie wordt verwezen naar de richtlijn Palliatieve zorg voor mensen met dementie.

Voedingsinterventies in relatie tot de praktische toepassing

Bij het adviseren van voeding wordt in eerste instantie uitgegaan van het eetpatroon en de functionele status van de patiënt en een keuze gemaakt voor de voedingsmiddelen die de patiënt gewend is. Als ten gevolge van klachten een dergelijke voeding ontoereikend is, kan een andere keuze uit de normale voeding worden voorgesteld (verandering van consistentie en/of smaak). 
Wanneer ook na individuele aanpassingen de normale voeding niet toereikend is om de voedingsbehoeften te dekken, kunnen energie- en/of eiwitverrijkte maaltijden, snacks en drinkvoeding met een hoge voedingsstofdichtheid de benodigde voedingsstoffen leveren. Wanneer orale voeding ondanks bovengenoemde aanpassingen van het dieet niet meer mogelijk of niet effectief is, kan overwogen worden om sondevoeding in te zetten en (in zeer zeldzame gevallen) parenterale voeding (zie verder).

Energie- en eiwitverrijkte drinkvoeding

Onder energie- en eiwitverrijkte drinkvoeding wordt verstaan het assortiment aan vloeibare dieetproducten bestemd voor oraal gebruik, meestal als aanvulling op de voeding en bij sommige indicaties als volledige voeding.
Kenmerken van drinkvoeding zijn de hoge energiedichtheid van 1 tot 2 kcal/ml en een hoog eiwit- en microvoedingsstofgehalte. Sommige soorten bevatten ook voedingsvezels. 
Drinkvoeding kan worden toegepast bij energie- en/of eiwitverrijkte voeding als de normale voeding, ook na individuele aanpassingen, niet toereikend is om de voedingsbehoefte te dekken. Drinkvoeding kan ook zonder aanvullende voeding worden ingezet om volledig te voldoen aan de voedingsbehoefte.
Drinkvoedingen zijn er op basis van melk, sap, yoghurt, erwt- en soja in diverse concentraties, smaken (zoet, hartig en neutraal) en vormen beschikbaar zoals vruchtendrank, drinkyoghurts en desserts. De neutrale drinkvoeding kan ook verwerkt worden in gerechten, zoals een shake, soep of nagerecht.
Verder zijn er diverse poedervormige en kant-en-klare modules met specifieke voedingsstoffen die gebruikt kunnen worden.
De diëtist geeft individuele adviezen op maat, stemt de benodigde hoeveelheid drinkvoeding af op de actuele voedingsinname en voedingsbehoefte van de patiënt en zorgt indien nodig voor de daarbij horende machtigingsaanvraag voor vergoeding door de zorgverzekeraar.

Sondevoeding

Sondevoeding is dun vloeibare voeding, die via een sonde in het maagdarmkanaal wordt toegediend. Sondevoeding kan via een neussonde, een PEG (percutane endoscopische gastrostomie)- of PRG (percutane radiologische gastrostomie)-katheter of een operatief aangelegde maag- of jejunumfistel worden toegediend. Sondevoeding kan de orale voeding volledig vervangen of als aanvulling op de orale voeding worden gegeven. Sondevoeding kan zowel overdag als ‘s nachts toegediend worden. Voorwaarde is een voldoende functionerend maagdarmkanaal.
De rol van sondevoeding bij patiënten met dementie valt buiten het bestek van deze richtlijn. Hiervoor wordt verwezen naar de richtlijn Palliatieve zorg voor mensen met dementie.
De patiënt kan sondevoeding ook in de thuissituatie gebruiken. De diëtist adviseert over soort en hoeveelheid sondevoeding en het toedieningsschema en zorgt indien nodig voor een machtigingsaanvraag voor vergoeding door de zorgverzekeraar. Ter controle op eventuele complicaties wordt aanbevolen om in de thuissituatie de instructie en begeleiding door een gespecialiseerd verpleegkundige te laten doen.
Sondevoeding kan in één keer gestopt worden en hoeft niet te worden afgebouwd. Er kunnen redenen zijn om wel te kiezen voor afbouw van de sondevoeding. Het is belangrijk om bij de start van de sondevoeding reeds te bespreken onder welke omstandigheden de sondevoeding weer gestopt wordt.

Parenterale voeding

Parenterale voeding is voeding die bestaat uit voedingsstoffen in een vorm die direct in de bloedbaan kan worden gebracht. Parenterale voeding wordt alleen toegepast als enterale voeding niet mogelijk of ontoereikend is.
Ook voor parenterale voeding geldt dat het onmiddellijk kan worden gestaakt. Het is belangrijk om bij de start van de parenterale voeding reeds te bespreken onder welke omstandigheden de parenterale voeding weer gestaakt wordt.

Alternatieve voeding, gezondheidsproducten en/of supplementen 

Patiënten kiezen, met of zonder medeweten van de behandelaar, soms voor het gebruik van alternatieve diëten, gezondheidsproducten (bijv. ginseng, soja, visolie e.d.) en/of supplementen. Het effect hiervan is over het algemeen niet bewezen. De keuze hiervoor kan tegemoetkomen aan de behoefte van de patiënt om zelf actief aan de behandeling bij te dragen en het gevoel te hebben zoveel mogelijk invloed op het ziektebeloop uit te oefenen. Dit kan de patiënt en zijn naasten psychologisch ondersteunen.
Diëten, zoals het Moermandieet in de jaren tachtig en het Houtsmullerdieet in de jaren negentig zijn grotendeels verdrongen door het gebruik van vitamines, antioxidanten en supplementen met gevarieerde samenstellingen en ketogene diëten.
Voor de hulpverlener is het van belang om na te gaan wat er in welke dosering gebruikt wordt om met de patiënt een verantwoorde afweging te maken over het gebruik ervan. Het is belangrijk om na te gaan of er een interactie is tussen de gebruikte producten en medicatie of systemische therapie van de patiënt. In het algemeen wordt een inname tot 100% van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid aan mineralen en supplementen boven op de normale voedingsinname als veilig beschouwd.
In deze module wordt hier verder niet ingegaan op alternatieve voeding, gezondheidsproducten en voedingssupplementen. Voor informatie wordt verwezen naar een website van het Memorial Sloan Kettering Cancer Center: About Herbs, Botanicals & Other Products | Memorial Sloan Kettering Cancer Center.

Uitgangsvraag

Hoe worden voedingsinterventies ingezet bij patiënten met anorexie en gewichtsverlies in de palliatieve fase?

Methode: evidence-based 

Aanbevelingen

Bij patiënten in de palliatieve fase met gewichtsverlies en/of verminderde inname van voedsel:

  • Bespreek praktische tips zoals: 
    • rusten voor de maaltijd;
    • vermijden van onaangename luchtjes;
    • gebruik van meerdere kleine maaltijden;
    • gebruik van zachte voeding;
    • een extra broodmaaltijd als de warme maaltijd tegenstaat;
    • aanpassen van de maaltijden aan de smaak van de patiënt, bijv. liever koude en friszure gerechten dan een warme maaltijd; maak eventueel gebruik van het Smaak Kompas;
    • aandacht voor een appetijtelijke presentatie en een prettige ambiance;
    • het gebruik van kant-en-klare producten of van een maaltijdservice.
  • Stel in overleg met de patiënt het doel van de voedingsinterventie vast en stem de keuze voor de voedingsinterventie hierop af. Bespreek hierbij het effect en de voor- en nadelen van de verschillende voedingsinterventies.
  • Indien handhaving of verbetering van de voedingstoestand het doel is:
    • Vraag een diëtist in consult als er sprake is van ondervoeding en/of als het gebruik van een energie- en eiwitverrijkt dieet en/of drinkvoeding of het inzetten van sondevoeding of parenterale voeding wordt overwogen.
    • Kies voor een energie- en eiwitverrijkt dieet, al dan niet in combinatie met drinkvoeding, tenzij er een contra-indicatie hiervoor is, zoals nierfalen. Overleg met een diëtist bij twijfel hierover.
    • Overweeg sondevoeding:
      • bij patiënten met kanker in de palliatieve fase: als orale inname van voedsel niet mogelijk is (ten gevolge van obstructie, motiliteitsstoornissen of mucositis in keel, slokdarm of maag) of onvoldoende is om de voedingsbehoefte te dekken;
      • bij ALS: bij slikstoornissen en onvoldoende effect van adviezen met betrekking tot voeding en slikken. Breng tijdig (bij een vitale capaciteit >50% bij longfunctieonderzoek) een PEG-katheter in.
    • Voor sondevoeding is een functionerend darmstelsel een voorwaarde.
    • Overweeg in bepaalde situaties parenterale voeding bij patiënten met kanker en een ileus. Zie hiervoor de aanbeveling van de richtlijn Ileus in de palliatieve fase.
  • NB Zet bovengenoemde interventies niet in als er sprake is van een korte levensverwachting (minder dan enkele maanden) en/of inflammatie op de voorgrond staat.
  • Kies voor comfortvoeding, indien het doel van handhaving of verbetering van de voedingstoestand niet haalbaar (bij ver voortgeschreden ziekte, waarbij inflammatie op de voorgrond staat en de levensverwachting kort (minder dan 2-3 maanden) is) of niet gewenst is.

Onderzoeksvraag
Welke voedingsinterventies hebben effect op gewichtstoename of -behoud en kwaliteit van leven bij palliatieve patiënten met kanker, hartfalen, COPD of ALS?

Bij het literatuuronderzoek is primair uitgegaan van:

  • bestaande richtlijnen:
  1. Standards, options and recommendations for palliative or terminal nutrition in adults with progressive cancer of the Fédération Nationale des Centres de Lutte Contre le Cancer (UNICANCER) [Bachmann 2003]
  2. Clinical practice guidelines: home parenteral nutrition and cancer selection criteria for patients with advanced cancer [Mirhosseini 2005]
  3. ESPEN guidelines on enteral nutrition; non-surgical oncology [Arends 2006]
  4. ESPEN guidelines on enteral nutrition: cardiology and pulmonology [Anker 2006]
  5. ESPEN guidelines on parenteral nutrition: on cardiology and pulmonology [Anker 2009]
  6. ESPEN guidelines on total parenteral nutrition; non-surgical oncology [Bozzetti 2009]
  7. ASPEN. guidelines on nutritional support during adult anticancer treatment and hematopoietic cell transplantation [August 2009]
  8. Clincal practice guidelines on cancer cachexia in advanced cancer patients [Radbruch 2010]
  9. Richtlijn 'Ondervoeding bij patiënten met kanker, versie 1.0 [IKNL 2012]
  • meta-analyses en [systematische] reviews [Anker 2006 en 2009; Baldwin 2012; Bozzetti 2013; Collins 2012 en 2013; Elia 2006; Ferreira 2012; Good 2008; Katzberg 2011; Langmore 2006; Miller 2009; Miján-de-la-Torre 2009; Muscaritoli 2012; Prevost 2012; Sandek 2009]. 

De afzonderlijke studies werden verkregen via kruisreferenties en een eigen literatuursearch.

Een groot deel van de richtlijnen; meta-analyses en reviews [Arends 2006; August 2009; Bachmann 2003; Baldwin 2012; Bozzetti 2009 en 2013; Elia 2006; IKNL 2012; Mirhosseini 2005; Muscaritoli 2012; Prevost 2012; Radbruch 2010] had betrekking op patiënten met kanker, waarbij drie richtlijnen [Bachman 2003; Mirhosseini 2005; Radbruch 2010] en twee reviews [Muscaritoli 2012; Prevost 2012] zich beperkten tot patiënten met kanker in de palliatieve fase.
De systematische review van Good had betrekking op patiënten in de palliatieve fase (ongeacht de diagnose) [Good 2008].
De overige richtlijnen; meta-analyses en reviews hadden betrekking op hartfalen [Anker 2006 en 2009; Miján-de-la-Torre 2009; Sandek 2009], COPD [Anker 2006 en 2009; Collins 2012 en 2013; Ferreira 2012] en ALS [Katzberg 2011; Langmore 2006; Miller 2009].

Effect van voedingsadviezen en gebruik van voedingssupplementen c.q. drinkvoeding

Kanker

Baldwin verrichtte een systematische review naar het effect van voedingsadviezen en/of gebruik van voedingssupplementen op gewicht, inname van energie, kwaliteit van leven en overleving bij patiënten met kanker [Baldwin 2012]. Er werden 13 gerandomiseerde studies gevonden, waarin 1414 patiënten waren opgenomen. In sommige studies werden meerdere interventies vergeleken met standaardzorg. In zes studies werden voedingsadviezen vergeleken met standaardzorg, in drie studies het gebruik van voedingssupplementen met standaardzorg en in zeven studies voedingsadviezen én zo nodig gebruik van voedingssupplementen met standaardzorg. Gewichtsverlies was een inclusiecriterium in slechts vier studies. Alle studies hadden betrekking op patiënten tijdens behandeling (chemotherapie, radiotherapie en/of operatie). Slechts twee gerandomiseerde studies hadden uitsluitend betrekking op patiënten met kanker in de palliatieve fase [Baldwin 2008/2011; Evans 1987], die behandeld werden met palliatieve chemotherapie. 
Indien alle studies werden gecombineerd, bleek (na correctie voor heterogeniteit van de studies) dat voedingsadviezen geen statistisch significant effect hadden op gewicht, inname van energie en overleving, maar wel op globale kwaliteit van leven, anorexie, kortademigheid en emotioneel functioneren. 
In de studie van Evans bij patiënten met colorectaal carcinoom of niet-kleincellig bronchuscarcinoom, die behandeld werden met palliatieve chemotherapie (waarvan 46% met > 5% gewichtsverlies) hadden voedingsadviezen geen invloed op response, bijwerkingen van chemotherapie of overleving. In vergelijking met de controlegroep die geen voedingsadviezen kreeg [Evans 1987]. In de studie van Baldwin bij patiënten met gastro-intestinale maligniteiten of longkanker en gewichtsverlies, die behandeld werden met palliatieve chemotherapie, was er geen significante invloed van voedingsadviezen op kwaliteit van leven en evenmin op gewicht [Baldwin 2008/2011].

De richtlijn van UNICANCER concludeert dat voedingsadviezen bijdragen aan de behandeling van symptomen die interfereren met de voeding en leiden tot een toename van de voedselinname bij patiënten met kanker in de palliatieve fase, die actief behandeld worden (niveau B2, d.w.z. gebaseerd op consistente resultaten van niet-gerandomiseerde studies) [Bachmann 2003]. 

De richtlijn van de European Society for Clinical Nutrition and Metabolism (ESPEN) concludeert dat het aannemelijk is dat 'enteral nutrition' (voedingssupplementen of sondevoeding) het leven verlengt van een patiënt met een ongeneeslijke vorm van kanker die niet kan eten en een levensverwachting heeft van > 2-3 maanden [Arends 2006]. De richtlijn stelt ook dat voedingssupplementen als enige interventie niet effectief zijn indien metabole stoornissen op de voorgrond staan.

De richtlijn van de American Society for Parenteral and Enteral Nutrition (ASPEN) [August 2009] doet geen specifieke uitspraken over de rol van voedingsadviezen of voedingssupplementen bij patiënten met kanker in de palliatieve fase.

De 'Clinical practice guidelines on cancer cachexia in advanced cancer patients' [Radbruch 2010] concludeert dat: 

  • er enig bewijs is dat voedingsadviezen een positieve invloed hebben op de voedingstoestand en kwaliteit van leven van patiënten met kanker in de palliatieve fase die behandeld worden met antitumortherapie;
  • er geen bewijs is dat voedingsadviezen bij refractaire cachexie invloed hebben op kwaliteit van leven en fysiek functioneren, maar evenmin dat er bewijs is dat voedingsadviezen geen invloed hebben. 

In de richtlijn geven de auteurs aan dat ze [ondanks het gebrek aan bewijsvoering] ervan overtuigd zijn dat voedingsadviezen kunnen bijdragen aan het begrip van patiënten en hun naasten over de rol van de voeding en de mogelijkheden en beperkingen ervan.

In de richtlijn 'Ondervoeding bij patiënten met kanker’ [IKNL 2012] werden m.b.t. de rol van voedingsadviezen in de palliatieve fase twee studies aangehaald [Lundholm 2004; Dobrila-Dintinjana 2012]. 
Lundholm et al voerden een studie uit bij een heterogene groep patiënten in een palliatieve setting met een verwachte levensduur van minstens zes maanden. Alle patiënten kregen oraal indomethacine (een NSAID, dat mogelijk invloed heeft op de metabole afwijkingen van het anorexie-cachexie syndroom) en op indicatie EPA [Lundholm 2004]. In de interventiegroep werd drinkvoeding geadviseerd als de inname op basis van de anamnese < 90% was van de berekende behoefte. Parenterale voeding werd geadviseerd indien de inname < 70-80% was van de berekende behoefte. De controlegroep kreeg gebruikelijke zorg. Bij de intention-to-treat analyse bleek een positieve energiebalans in de interventiegroep, maar kon verder geen verschil in gewichtsontwikkeling tussen interventie- en controlegroep worden aangetoond. 
Dobrila-Dintinjana vergeleek bij 628 patiënten, met een gemetastaseerd colorectaal carcinoom, tijdens chemotherapie de eetlust en het gewicht voor én na invoering van een behandelschema waarbij patiënten zowel een proactief, individueel voedingsadvies, extra drinkvoeding als megestrolactetaat kregen [Dobrila-Dintinjana 2012]. Na invoering van het behandelschema rapporteerden patiënten na het voltooien van de chemotherapie minder verlies aan eetlust en hadden minder patiënten > 2 kg gewichtsverlies/maand. Het was onduidelijk of dit effect voornamelijk aan het voedingsadvies of voornamelijk aan de medicatie kon worden toegeschreven. 
De richtlijn concludeerde dat er onvoldoende onderzoek is verricht om conclusies te trekken over het effect van voorlichting en voedingsadviezen bij patiënten met kanker in de palliatieve fase.

In de review van Elia werd geconcludeerd dat er geen onderzoeken waren die aantoonden dat het gebruik van voedingssupplementen zinvol was bij patiënten met kanker in de palliatieve fase [Elia 2006].

Prevost onderschrijft de conclusie van de richtlijn van UNICANCER [Bachmann 2003], dat voedingsadviezen bijdragen aan de behandeling van symptomen die interfereren met de voeding en leiden tot een toename van de voedselinname bij patiënten met kanker in de palliatieve fase en pleit voor het gebruik van voedingssupplementen bij onvoldoende inname van eiwit en energieën [Prevost 2012]. Hij geeft een aantal praktische adviezen en onderstreept het belang van consultatie van een diëtist om de voedingstoestand van de patiënt te evalueren en advies te geven om zorg te dragen voor voldoende voedselinname.

Het literatuuronderzoek laat derhalve zien dat er nauwelijks vergelijkend onderzoek is verricht naar de invloed van voedingsadviezen en het gebruik van voedingssupplementen op de voedingstoestand en kwaliteit van leven van patiënten met kanker in de palliatieve fase.

Hartfalen

Twee reviews [Sandek 2009; Miján-de-la-Torre] beschrijven het effect van voedingsinterventies bij patiënten met chronisch hartfalen waarbij zij zich richten op anti-inflammatoire effecten van bepaalde voedingsstoffen. Sandek concludeert dat er op dit moment te weinig bewijs is om suppletie van specifieke voedingsstoffen aan te bevelen maar dat suppletie van aminozuren veelbelovend lijkt. Miján-de-la-Torre speculeert dat de behandeling van cachexie bij chronisch hartfalen mogelijk een combinatie zal zijn van voeding, metabole, immunologische en hormonale strategieën. Studies hiernaar ontbreken tot op heden.

De ESPEN richtlijn [Anker 2006] beveelt, ondanks het feit dat er geen bewijs beschikbaar is van goed opgezette studies, enterale voeding (voedingssupplementen of sondevoeding) aan ter behandeling van cardiale cachexie. Verder concludeert de richtlijn dat er geen indicatie is voor enterale voeding ter preventie van cardiale cachexie en dat het door gebrek aan studies niet mogelijk is antwoord op de vraag te geven of enterale voeding invloed heeft op progressie, overleving of morbiditeit van chronisch hartfalen. 
Tot nu toe heeft slechts één klinische trial de invloed van enterale voeding op fysiek functioneren bij patiënten met vergevorderd hartfalen (NYHA klasse III/IV) onderzocht [Arutiunov 2003]. Enterale voeding gedurende 24 weken (n=34) versus geen enterale voeding (n=32) leidde tot een verbetering in de 6 minuten looptest (geen p-waarde vermeld). De vetvrije massa nam in de interventiegroep toe terwijl deze in de controlegroep afnam (p=0.03]. Omdat het artikel alleen in het Russisch is verschenen kon de wetenschappelijke betrouwbaarheid niet worden beoordeeld. Bovendien was niet duidelijk of het om gebruik van voedingssupplementen ging of om sondevoeding. Ten slotte concludeert de richtlijn dat er geen contra-indicaties zijn voor enterale voeding maar dat toediening van te veel vocht moet worden voorkomen.

COPD

Collins [2012] verrichtte een systematische review met meta-analyse waarin 13 RCT’s (n=439) bij stabiele COPD-patiënten werden geïncludeerd waarbij de invloed van voedingsadviezen (1 RCT), voedingssupplementen (11 RCT’s) of sondevoeding (1 RCT) op de voedingsinname, antropometrische maten en handknijpkracht werd vergeleken met een onbehandelde controlegroep. In de interventiegroepen werd een hogere eiwit- en energie-inname gezien dan in de controlegroep. De meta-analyse liet een positief effect zien van de voedingsinterventie op het lichaamsgewicht en handknijpkracht.

Collins [2013] verrichtte een tweede systematische review met meta-analyse waarin 12 RCT’s (n=448) bij stabiele COPD-patiënten werden geïncludeerd. Hierbij werden functionele uitkomstmaten vergeleken tussen de interventiegroepen (voedingsadviezen (1 RCT), voedingssupplementen (10 RCT’s) en sondevoeding (1 RCT)) en de controlegroep. De meta-analyse liet zien dat hoewel de longfunctie niet reageerde op de voedingsinterventie, zowel de inademspierkracht als de uitademspierkracht en de handknijpkracht significant verbeterde en geassocieerd waren met gewichtstoenames ≥ 2 kg. Hoewel meta-analyse niet mogelijk was lieten een aantal trials een significante verbetering zien van de kwaliteit van leven en de inspanningstolerantie als gevolg van de voedingsinterventie.

De Cochrane review van Ferreira [2012] beschrijft de invloed van voedingssupplementen op antropometrische maten, longfunctie, ademhalings- en perifere spierkracht, uithoudingsvermogen, functionele status en kwaliteit van leven. Er werden 17 gerandomiseerde klinische trials (n=632) geïncludeerd waarbij de patiënten minstens 2 weken voedingssupplementen kregen. De auteurs concludeerden dat er bewijs van middelmatige kwaliteit was dat voedingssupplementen gewichtsstijging bij patiënten met COPD teweegbrengt, met name bij patiënten die ondervoed zijn. Er werd tevens een significante verandering t.o.v. baseline gezien voor alle patiënten voor:

  • de vetvrije massa/vetvrije massa index; 
  • de vetmassa/vetmassa index; 
  • de bovenarmspieromtrek (als maat voor de BM); 
  • de 6 minuten looptest;
  • een significante verbetering van de huidplooien (als maat voor de vetmassa).

Verder werd er bij ondervoede patiënten een significante verbetering gezien in de ademhalingsspierkracht en de overall ziektegerelateerde kwaliteit van leven.

De ESPEN richtlijn [Anker 2006] concludeert dat er beperkt bewijs is voor een gunstig effect van enterale voeding (voedingssupplementen of sondevoeding) bij patiënten met COPD, maar dat enterale voeding in combinatie met training en anabole farmacotherapie de potentie heeft om de voedingstoestand en de functionele status te verbeteren. Verschillende studies laten zien dat in een gecontroleerde klinische setting en in sommige poliklinische situaties gewichtstoename kan worden bereikt door verhoging van de energie-inname. Studies die het effect van voedingsinterventie als onderdeel van een longrevalidatieprogramma onderzochten, lieten in alle gevallen gewichtstoename zien [Creutzberg 200, Schols 1995; Slinde 2002; Steiner 2003]. Verder concluderen de auteurs van de richtlijn dat er onvoldoende gecontroleerde data beschikbaar zijn met betrekking tot het effect van enterale voeding op de progressie van vergevorderde COPD of op de overleving. In één studie was gewichtstoename (> 2 kg in 8 weken) geassocieerd met een betere overleving [Schols 1998]. Patiënten met stabiele COPD ondervinden geen extra voordeel van specifieke drinkvoeding laag in koolhydraten en hoog in vet in vergelijking met standaard, eiwitverrijkte of energierijke drinkvoeding. Negatieve effecten van drinkvoedingen met hoge hoeveelheden koolhydraten werden alleen gezien wanneer de in te nemen hoeveelheid ver boven de energiehoeveelheid van een gewone maaltijd lag [Brown 1985; Efthimiou 1992; Frankfort 1991; Vermeeren 2001]. Andere studies lieten juist een negatief effect zien van drinkvoeding met een hoge vetconcentratie op de maagontlediging in vergelijking met gewone drinkvoeding [Akrabawi 1996] of op postprandiale dyspneu in vergelijking met een drinkvoeding hoog in koolhydraten [Vermeeren 2001]. De studie van Broekhuizen liet na 8 weken een positief effect op gewichtstoename zien door kleine hoeveelheden koolhydraat- en eiwitverrijkte drinkvoeding in vergelijking met normale hoeveelheden drinkvoeding van dezelfde samenstelling [Broekhuizen 2005]. Gebaseerd op dit bewijs wordt bij stabiele COPD-patiënten aanbevolen om niet de hoeveelheid macronutriënten in de drinkvoeding aan te passen maar frequent kleine hoeveelheden drinkvoeding te geven om postprandiale dyspneu en snelle verzadiging te voorkomen. 

ALS

Er zijn geen studies gevonden die naar het effect van voedingsadviezen of het gebruik van voedingssupplementen bij patiënten met vergevorderde ALS hebben gekeken.

Effect van sondevoeding

Indien orale voeding niet mogelijk is of de voedingsbehoefte onvoldoende dekt, kan sondevoeding via een neussonde of een percutane katheter in maag (PEG), duodenum of jejunum (PEJ)) worden overwogen. Bij een goed functionerend maagdarmkanaal heeft sondevoeding altijd de voorkeur boven parenterale voeding. 

Algemeen

Good concludeerde in een systematische review over sondevoeding of parenterale voeding bij volwassen patiënten in de palliatieve fase dat er onvoldoende onderzoek is gedaan om tot onderbouwde aanbevelingen te komen [Good 2008]. In zijn review zijn studies opgenomen van Bozzetti [2002], Meier [2001], Orreval [2005] en Pironi [1997] en de systematische review van Langmore [2006]. Al deze studies worden in deze richtlijn besproken.

Kanker

De richtlijn van UNICANCER concludeert dat sondevoeding bij patiënten met hoofd-halskanker in de palliatieve fase de kwaliteit van leven verbetert (niveau C, d.w.z. gebaseerd op niet-vergelijkende studies van matige kwaliteit of inconsistente resultaten van gerandomiseerde studies) [Bachmann 2003].

De ESPEN richtlijn concludeert dat het aannemelijk is dat voedingssupplementen of sondevoeding het leven verlengt van een patiënt met een ongeneeslijke vorm van kanker die niet kan eten en een levensverwachting heeft van > 2-3 maanden [Arends 2006]. De richtlijn stelt ook dat sondevoeding als enige interventie niet effectief is als metabole stoornissen op de voorgrond staan.

In de ASPEN richtlijn [August 2009] werd slechts één studie beschreven waarbij sondevoeding werd vergeleken met gewone voeding bij patiënten met kanker in de palliatieve fase. Dat betrof een gerandomiseerde studie bij 70 patiënten met een vergevorderd stadium van gastro-enterologische tumoren waarbij sondevoeding werd vergeleken met standaardvoeding [Tandon 1984]. Er werd minder toxiciteit en een verhoogd responsepercentage gezien bij de patiënten die sondevoeding kregen, maar er werd geen statistische analyse vermeld. In de richtlijn werd geen specifieke uitspraak gedaan over de rol van sondevoeding in de palliatieve fase van kanker.

De Clinical practice guidelines on cancer cachexia in advanced cancer patients [Radbruch 2010] ondersteunt de conclusies van de ESPEN richtlijn en stelt dat sondevoeding gedeeltelijk effectief kan zijn bij geselecteerde patiëntengroepen, zonder daarbij te specificeren om welke groepen het gaat.

In de richtlijn 'Ondervoeding bij patiënten met kanker' [IKNL 2012] werden de bevindingen van bovengenoemde richtlijnen besproken. Daarnaast werd de studie van Pironi besproken [Pironi 1997]. In deze studie werden 6838 patiënten met een vergevorderd stadium van kanker die opgenomen waren in een thuiszorgprogramma gescreend op indicaties voor sondevoeding of parenterale voeding aan de hand van drie criteria: hypofagie (< 50% van berekende benodigde intake), levensverwachting > 6 weken en wens van de patiënt/voldoende mantelzorg. Uiteindelijk startten 135 patiënten met sondevoeding en 29 met parenterale voeding. 93% van de patiënten met sondevoeding had een passagestoornis van slokdarm of maag en 58% van de patiënten met parenterale voeding had een ileus. De mediane overleving was 17 weken voor de patiënten met SV en 12 weken voor de patiënten met PV; 29% was overleden binnen 6 weken. De overleving was statistisch significant langer bij patiënten met hoofdhalscarcinomen en gastrointestinale tumoren en bij patiënten met een Karnofsky Performance status > 50%. Het lichaamsgewicht en de Karnofsy Performance status na 1 maand namen toe bij 43 resp. 13 patiënten en nam af bij 21 resp. 19 patiënten. De belasting van de voedingsinterventies werd door de stafleden van het team beoordeeld als gering bij 124 patiënten, matig bij 30 patiënten en groot bij 10 patiënten.
De werkgroep van de IKNL-richtlijn was van mening dat:

  • sondevoeding de kwaliteit van leven handhaaft of verbetert en het leven kan verlengen bij patiënten in de laatste levensfase met een obstructie hoog in de tractus digestivus (slokdarm of maag) indien er sprake is van een Karnofsky Performance status van > 50% en een geschatte levensverwachting van minimaal 2-3 maanden (niveau 4: mening van de werkgroep).
  • sondevoeding geen invloed heeft op kwaliteit van leven of overleving bij patiënten in de laatste levensfase (die niet (meer) actief worden behandeld) met ondervoeding als gevolg van metabole afwijkingen in het kader van het anorexie-cachexie syndroom (niveau 4: mening van de werkgroep).

In de review van Elia werd geconcludeerd dat er geen onderzoeken waren die aantoonden dat het gebruik van sondevoeding zinvol is bij patiënten met kanker in de palliatieve fase [Elia 2006].

Hartfalen

De ESPEN richtlijn [Anker 2006] concludeert dat, ondanks het feit dat er geen bewijs beschikbaar is van goed opgezette studies, enterale voeding (voedingssupplementen of sondevoeding) wordt aanbevolen om gewichtsverlies te stoppen of te verbeteren. In de aanbeveling wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen het effect van voedingssupplementen en het effect van sondevoeding. Er worden in de richtlijn geen studies genoemd over het effect van het gebruik van sondevoeding bij chronisch hartfalen.

COPD

Er is één gerandomiseerde studie gepubliceerd waarbij het effect van kortdurende (16 dagen) sondevoeding op gewicht, spierkracht en longfunctie bij 10 patiënten met COPD werd vergeleken met het effect van placebo sondevoeding bij 6 patiënten [Whittaker 1990]. Er was significant meer gewichtstoename en verbetering van longfunctie bij de patiënten die sondevoeding kregen.

ALS

Langmore constateert in zijn systematische review dat er geen gerandomiseerde studies zijn verricht die sondevoeding vergelijken met orale voeding bij patiënten met ALS [Langmore 2006]. Op basis van prospectief en retrospectief onderzoek is het aannemelijk dat sondevoeding leidt tot verbetering van de kwaliteit van leven en de overleving bij deze patiëntengroep.

De Cochrane review [Katzberg 2011] beschrijft dat er geen RCT’s of quasi-RCT’s zijn gevonden bij patiënten met ALS die het effect van sondevoeding hebben onderzocht in vergelijking met een onbehandelde controlegroep. Er waren wel 3 prospectieve gecontroleerde studies (n=531) die hebben gekeken naar het effect van sondevoeding via een PEG-katheter op de overleving; twee waren positief, één was negatief. De studie van Mazzini [1995] liet zien dat de 31 patiënten die sondevoeding via een PEG-katheter kregen een gemiddelde overleving hadden van 38 maanden versus 30 maanden in de groep van 35 patiënten die sondevoeding weigerden (p < 0.03). Chio et al [2006] volgden prospectief 221 patiënten met ALS. De 169 patiënten zonder sondevoeding hadden een hazard ratio van 3,38 om dood te gaan (p=0.0006) ten opzichte van de 52 patiënten met sondevoeding. Murphy [2008] vond geen verschil tussen 57 patiënten die sondevoeding via een PEG kregen vs. 187 patiënten met orale voeding. Er waren 8 retrospectieve studies (n=3289) die hebben gekeken naar het effect van sondevoeding via een PEG-katheter op de overleving; twee waren positief [Czaplinski 2006; Chio 1999] en 6 negatief waarbij de auteurs aangaven dat de negatieve studies methodologische tekortkomingen hadden [Mitchell 2006; Desport 2000; Sorenson 2007; Strong 1999; Forbes 2004; Mitsumoto 2003]. Het effect van sondevoeding op gewicht of andere parameters voor de voedingstoestand is slechts onderzocht in twee gecontroleerde studies. De retrospectieve patiëntcontrole studie van Desport [2000] rapporteerde een gewichtstoename van 8% na sondevoeding m.b.v. een PEG-katheter en een significante toename van de body mass index (BMI) en de dikte van de triceps huidplooi t.o.v. de controlegroep die geen enterale voeding kreeg. De prospectieve studie van Mazzini [1995] vond dat de BMI met 0,5 toenam na sondevoeding via een PEG-katheter terwijl de BMI in de controlegroep zonder sondevoeding met 4,5 afnam in een periode van 12 maanden. Slechts twee gecontroleerde studies hebben naar het effect van PEG-plaatsing op kwaliteit van leven gekeken. Beide studies zagen geen verbetering van de kwaliteit van leven na PEG-plaatsing [Mazzini 1995; Mitsumoto 2003]. Er bestaat geen consensus over de beste timing voor het plaatsen van de PEG. Hoewel er summier bewijs is dat het plaatsen van de PEG risicovoller is bij patiënten met een geforceerde vitale capaciteit (FVC) lager dan 50%, is er ook bewijs dat een PEG-katheter veilig ingebracht kan worden bij patiënten met een lage FVC. 

De auteurs van de Practice Parameter [Miller 2009] van de American Academy of Neurology (AAN) hebben systematisch alle literatuur gereviewed van 1998 tot 2007 betreffende het vertragen van progressie van de ziekte, voeding en respiratoire ondersteuning bij patiënten met ALS. Negen studies (n=469) hebben gekeken naar het effect van sondevoeding via een PEG-katheter op het gewicht. In de 7 studies waarin de patiënten als hun eigen controle diende werd na start van de sondevoeding een stabilisatie van het gewicht gezien of een matige gewichtstoename over een periode van 2 tot 24 maanden. In de twee studies waarin de patiënten die een PEG-katheter weigerden als controlegroep fungeerden werd in de groep met sondevoeding via een PEG-katheter gewichtsstabilisatie gezien t.o.v. verder gewichtsverlies in de controlegroep (p=0.03). Er bestaan geen studies met ALS-specifieke indicaties voor PEG-plaatsing. Kasarskis [1999] laat wel zien dat de risico’s bij PEG-plaatsing stijgen wanneer de FVC beneden de 50% daalt. Negen studies hebben gekeken naar het verschil in overleving tussen patiënten met sondevoeding via een PEG-katheter (n=585) en zonder sondevoeding (n=1619). Vier van deze studies lieten een langere overleving zien in de groep met sondevoeding t.o.v. de controlegroep en één studie liet een langere overleving zien in de groep met PEG-katheter vs. de groep met een neusmaagsonde. Vier studies konden geen positief effect van sondevoeding op de overleving aantonen. De auteurs concluderen dat wanneer er voor een goede controlegroep wordt gekozen er een overlevingsvoordeel te zien is van de groep die behandeld wordt met sondevoeding via een PEG-katheter. Er zijn geen studies gedaan naar het effect van sondevoeding via een PEG-katheter op de kwaliteit van leven.

Gebaseerd op de bovenbeschreven literatuur worden de volgende aanbevelingen gegeven [Miller 2009]:

  • Bij patiënten met ALS en verminderde voedingsinname moet sondevoeding via PEG-katheter worden overwogen om het gewicht te stabiliseren.
  • Een PEG-katheter zou kunnen worden overwogen ter verlenging van de overleving.
  • Er is te weinig bewijs voor specifieke timing voor PEG-plaatsing hoewel patiënten met slikstoornissen mogelijk minder risico lopen wanneer de FVC boven de 50% is. 
  • Er is onvoldoende bewijs om een PEG-katheter aan te bevelen ter verbetering van de kwaliteit van leven.

Effect van parenterale voeding

Algemeen

Good concludeerde dat er onvoldoende onderzoek is gedaan om tot onderbouwde aanbevelingen voor parenterale voeding bij patiënten in de palliatieve fase te komen [Good 2010].

Kanker

In de palliatieve fase kan totale parenterale voeding (TPV) worden toegepast bij patiënten met kanker met een ileus; in het merendeel van de gevallen betreft het patiënten met een ovarium- of colorectaal carcinoom. De mediane overleving van deze patiënten bedraagt 1-3 maanden [Bozzetti 2013]. TPV bij patiënten met een conservatief behandelde ileus is alleen zinvol bij díe patiënten waarvan de verwachting is dat ze eerder zullen overlijden aan de gevolgen van het niet (voldoende) kunnen eten (waarbij vaak wordt uitgegaan van een termijn van 2-3 maanden) dan aan de directe gevolgen van de maligniteit [Bozzetti 2009 en 2013; Mirhosseini 2005]. De Karnofsky Performance status is een belangrijke prognostische factor [Bozzetti 2002; Cozzaglio 1997; Pasanisi 1997; Santarpia 2006]. 
Onderzoek naar de rol van TPV in deze situatie betreft uitsluitend retrospectieve of prospectieve niet-gerandomiseerde studies [Abu-Rustum 1997; Bozzetti 2002 en 2003; Brard 2006; Chermesh 2011; Cozagglio 1997; Duerksen 2004; Hoda 2005; King 1993; Madhok 2010; Mercadante 1995; Orreval 2005; 2009 en 2013; Pasanisi 2001; Philips 1997; Pironi 1997; Santarpia 2006; Weiss 1982]. Het betreft meestal studies bij kleine groepen met vermoedelijk een hoge mate van selectie van patiënten in een relatief goede algehele toestand. Complicaties betroffen met name infecties en trombose van de veneuze katheter. De mediane overleving in bovengenoemde studies varieerde van 45-152 dagen. Een klein, maar niet verwaarloosbaar, deel van de patiënten leefde langer dan 6 maanden. TPV wordt in deze situatie gegeven om de kwaliteit van leven te verbeteren en de overleving te verlengen. Twee retrospectieve studies suggereerden dat de kwaliteit van leven verbeterde na start van TPV [Cozagglio 1997; King 1993]. Bozzetti deed een propectieve studie bij 69 patiënten, waarbij kwaliteit van leven maandelijks gemeten werd met behulp van de Rotterdam Symptom checklist [Bozzetti 2002]. De kwaliteit van leven na 1 maand verbeterde bij 40%, 10% was stabiel en 50% verslechterde.

Parenterale voeding kan ook als aanvulling worden gegeven wanneer het niet lukt om met orale voeding voldoende voedingsstoffen en energieën binnen te krijgen [Lundholm 2004; Finocchiaro 2007; Orreval 2009 en 2013]. De indicatie voor parenterale voeding in deze situatie is omstreden. In Nederland wordt dit in de praktijk niet als een indicatie beschouwd.

De richtlijn van UNICANCER concludeert dat TPV de voedingstoestand en de kwaliteit van leven verbetert bij patiënten met een ileus of andere oorzaak van voedselintolerantie (niveau C, d.w.z. gebaseerd op niet-vergelijkende studies van matige kwaliteit of inconsistente resultaten van gerandomiseerde studies' [Bachmann 2003]. De richtlijn stelt dat TPV niet moet worden toegepast bij patiënten met een Karnofsky Performance status van < 50%.

De Clinical practice guidelines: home parenteral nutrition and cancer selection criteria for patients with advanced cancer' formuleert de volgende criteria voor totale parenterale voeding thuis [Mirhosseini 2005]:

  • Situaties waarin enterale voeding niet mogelijk is en de verwachting is dat de patiënt eerder zal overlijden als gevolg van het niet (voldoende) kunnen eten dan als gevolg van progressie van de ziekte.
  • geschatte levensverwachting van enkele maanden of langer;
  • goede kwaliteit van leven; 
  • functionele status, thuis- en gezinssituatie laten totale parenterale voeding thuis toe;
  • mogelijkheden voor follow-up en monitoring.

De ESPEN richtlijn adviseert het gebruik van totale parenterale voeding bij patiënten met een ongeneeslijke vorm van kanker alleen als enterale voeding ontoereikend is en de geschatte levensverwachting langer is dan 2-3 maanden [Bozzetti 2009].

De ASPEN richtlijn geeft aan dat totale parenterale voeding alleen is aangewezen bij patiënten met kanker in de palliatieve fase als de Karnofsy Performance status > 50% is [August 2009].

De 'Clincal practice guidelines on cancer cachexia in advanced cancer patients' van de European Palliative Care Research Collaborative (EPCRC) is zeer terughoudend m.b.t. totale parenterale voeding en geeft aan dat dit maar zelden geïndiceerd is, zonder daarbij criteria of voorwaarden te noemen [Radbruch 2010].

De richtlijn 'Ondervoeding bij patiënten met kanker, versie 1.0' [IKNL 2012] adviseert totale parenterale voeding alleen bij patiënten met kanker in de palliatieve fase met een ileus als er sprake is van een Karnofsy Performance status van > 50% en een geschatte levensverwachting van > 2-3 maanden.

Hartfalen

De ESPEN richtlijn [Anker 2009]; beveelt, ondanks het feit dat er geen bewijs beschikbaar is van goed opgezette studies, parenterale voeding aan om gewichtsverlies te stoppen of te verbeteren bij patiënten met gevorderd chronisch hartfalen met malabsorptie. Er is geen indicatie voor parenterale voeding in het voorkomen van cardiale cachexie. Door gebrek aan studies is het niet mogelijk om antwoord op de vraag te geven of parenterale voeding invloed heeft op progressie van chronisch hartfalen, overleving en morbiditeit.

COPD

De ESPEN richtlijn [Anker 2009] concludeert dat er geen bewijs is dat de functie van het maagdarmkanaal bij patiënten met COPD verstoord zou zijn. Om die reden heeft enterale voeding altijd de voorkeur boven parenterale voeding wanneer patiënten met COPD voedingsinterventies nodig hebben. Er is beperkt bewijs dat parenterale voeding een positief effect zou hebben bij patiënten met vergevorderde COPD die enterale voeding niet verdragen. Kleine studies suggereren dat parenterale voeding in combinatie met training en anabole medicatie de potentie heeft om de voedingstoestand en functionele capaciteit te verbeteren. Suchner liet bij zes ernstig ondervoede patiënten met COPD zien dat parenterale voeding in combinatie met groeihormoon de stikstofbalans verbeterde [Suchner 1990]. Aguilaniu liet bij 8 patiënten met COPD zien dat parenterale voeding hoog in kcal en vet de stikstofbalans verbeterde [Aguilaniu 1992]. Deze studies zijn echter te klein om conclusies aan te verbinden. 
Verder concluderen de auteurs dat er geen gecontroleerde data beschikbaar zijn met betrekking tot het effect van parenterale voeding op de progressie van vergevorderde COPD of op de overleving. Parenterale voeding gebaseerd op glucose verhoogt de arteriële CO2-concentratie wat schadelijk kan zijn voor patiënten met COPD. Daarom wordt aanbevolen als energiebron in de parenterale voeding voornamelijk vet te gebruiken. Er is onvoldoende bewijs om specifieke vetsubstraten aan te bevelen.

Onderzoeksvraag
Om de uitgangsvraag van deze module te kunnen beantwoorden, is een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd. De onderzoeksvraag die hiervoor is opgesteld is PICO-gestructureerd en luidt: 

Wat is het effect van voedingsinterventies (voedingsadviezen, drinkvoeding, sondevoeding, parenterale voeding) op gewichtsverlies en kwaliteit van leven bij patiënten met gevorderde kanker, hartfalen, COPD en ALS?

PICO

P Patiënten met gevorderde kanker, hartfalen, COPD of ALS, en anorexie / gewichtsverlies
I Voedingsinterventies (voedingsadviezen, drinkvoeding, sondevoeding, parenterale voeding)
C Andere voedingsinterventies, geen voedingsinterventie
O Cruciaal: gewichtsverlies/ gewicht, anorexie/ eetlust 
Belangrijk: bijwerkingen, voedsel/ energie inname, vetvrije massa, kwaliteit van leven, performance status, overleving

Zoeken en selecteren van studies
Op 10 april 2025 is in de databases Medline (OVID), Embase en de Cochrane Library gezocht naar wetenschappelijke literatuur gepubliceerd vanaf 2012. Deze zoekactie leverde na ontdubbelen en verwijderen van referenties in een andere taal dan Engels of Nederlands 5936 resultaten op. De volledige zoekactie is beschreven in bijlage 6. 
Deze resultaten zijn systematisch geselecteerd op basis van de volgende criteria: 

  • Populatie en interventies zoals gedefinieerd in de PICO; 
  • Studietype: systematische reviews, meta-analyses of RCT’s; 
  • Taal: Engels, Nederlands.

In eerste instantie zijn de titel en abstract van de referenties beoordeeld. Hiervan werden 208 referenties geïncludeerd voor beoordeling op basis van het volledig artikel. Aanvullend werd van 15 potentieel relevante artikelen uit de referentielijsten van deze 208 referenties het volledige artikel opgevraagd. Uiteindelijk bleven 43 systematische reviews [AHRQ 2023, Baguley 2019, Baguley 2025, Baldwin 2012, Baldwin 2021, Balstad 2014, Bianchi 2020, Blackwood 2020, Braha 2022, CADTH 2014, Chow 2016, Cintoni 2023, Constantina 2025, Cotogni 2023, Dewar 2018, Emanuel 2022, Essat 2020, Furulund 2021, Gliwska 2021, Habaybeh 2021, Hamaker 2021, Kasvis 2021, Keogh 2021, Kiss 2014, Lee 2016, Leis 2023, Makitie 2022, Mannino 2025, McLuskie 2025, Mohamad 2015, Ong 2021, Parsons 2023, Payne 2013, Rinninella 2019, Rinninella 2020, Rozga 2025, Sa-Nguansai 2024, Sulistyo 2023, van der Schueren 2018, Vear 2023, Vella 2024, Zhang 2018, Zhang 2020] en 16 RCT’s [Bouleuc 2020, Cereda 2019, Chewaskulyong 2024, Conway 2024, Dorst 2013, Gurgun 2013, Ishiki 2015, Kapoor 2017, Kim 2019, Ludolph 2020, Mogelberg 2022, Obling 2019, Oh 2014, Sukaraphat 2016, van der Werf 2020, Wang 2022] over. In bijlage 6 is een volledig overzicht opgenomen van de artikelen die niet werden opgenomen na beoordeling van de volledige tekst met redenen. 
Voor de verdere bespreking van de literatuur werd beslist om de systematische reviews enkel te beschouwen als bron van gerandomiseerde studies, en ze dus niet in detail te analyseren en bespreken. 

Resultaten 

Beschrijving van de studies
Het literatuuronderzoek identificeerde 16 gerandomiseerde studies gepubliceerd sinds 2012. 
Tien gerandomiseerde studies rapporteerden het effect van voedingsinterventies bij patiënten met gevorderde kanker: 

  • Bouleuc et al. randomiseerden 148 patiënten met gevorderde kanker en malnutritie naar parenterale voeding via een centrale lijn (30-35 kcal/kg/dag) of orale voeding (minimum 1000 kcal/dag gedurende 5 dagen) [Bouleuc 2020]. Meer dan 85% van de patiënten was vermagerd tijdens de maand voorafgaand aan de inclusie. De gemiddelde BMI bedroeg 20.58 kg/m2 bij inclusie. Het effect op het gewicht, eetlust (subdomein ‘verlies van eetlust’ van de European Organisation for Research and Treatment of Cancer Quality of Life Questionnaire - Core 15 Palliative Care, EORTC QLQ-C15-PAL), bijwerkingen, kwaliteit van leven (gemeten met het EORTC QLQ-C15-PAL instrument), performance status en overleving werd gerapporteerd. 
  • Obling et al. randomiseerden 47 patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde gastro-intestinale kanker en een risico op ondervoeding naar voedingsadvies met of zonder parenterale voeding (25-35% van de dagelijkse voedingsnood) thuis 2-4 dagen per week gedurende 24 weken [Obling 2019]. Meer dan 80% had een gewichtsverlies van minstens 5% bij inclusie. De mediane BMI bedroeg 21.3 kg/m2 bij inclusie. Het effect op BMI, energie inname, vetvrije massa, vetvrije massa index, kwaliteit van leven (gemeten met het EORTC QLQ-C15-PAL instrument) en overleving werd gerapporteerd. 
  • Oh et al. randomiseerden 31 patiënten met gevorderde kanker en een onvermogen om te voeden via een enterale route naar parenterale voeding of intraveneus vocht (maximum 30 ml/kg/dag) [Oh 2014]. De mediane BMI bedroeg 21.1 vs. 23.2 kg/m2 bij inclusie. Enkel het effect op energie inname en overleving werd gerapporteerd. 
  • Cereda et al. randomiseerden 166 patiënten met gevorderde kanker en malnutritie naar voedingsadvies met of zonder toevoeging van wei-eiwit isolaat [Cereda 2019]. Meer dan 80% had stadium IV kanker. Het gemiddelde gewichtsverlies tijdens de 6 maanden voorafgaand aan inclusie bedroeg 13.5 kg. De gemiddelde BMI bedroeg 22.3 vs. 22.0 kg/m2 bij inclusie. Het effect op het gewicht, bijwerkingen, energie inname, vetvrije massa index, en kwaliteit van leven (gemeten met het EORTC QLQ-C30 instrument) werd gerapporteerd. 
  • Ishiki et al. randomiseerden 27 patiënten met terminale kanker naar een vloeibaar enteraal voedingssupplement (Ensure Liquid®), een aminozuurhoudende gelei (Inner Power®), of beiden [Ishiki 2015]. Het effect op eetlust (subdomein ‘verlies van eetlust’ van het EORTC QLQ-C15-PAL instrument), bijwerkingen, kwaliteit van leven (gemeten met het EORTC QLQ-C15-PAL instrument) en overleving werd gerapporteerd. 
  • Kapoor et al. randomiseerden 63 cachectische vrouwen met kanker in de palliatieve fase en >5% gewichtsverlies naar voedingsadvies met of zonder toevoeging van een voedingssupplement (IAtta: 100 gram per dag; 400 kcal, 16 gram vetten, 40 gram koolhydraten, 26 gram eiwitten) gedurende 6 maanden [Kapoor 2017]. Het effect op gewicht, eetlust (subdomein ‘verlies van eetlust’ van het EORTC QLQ-C30 instrument), energie inname en kwaliteit van leven (gemeten met het EORTC QLQ-C30 instrument) werd gerapporteerd. 
  • Kim et al randomiseerden 58 patiënten met progressieve (gemetastaseerde) pancreas- of galwegkanker die chemotherapie ondergingen naar wel of geen oraal voedingssupplement (Medifood Miniwell: 2 x 150 ml per dag; 400 kcal, 12 gram vetten, 58 gram koolhydraten, 18 gram eiwitten) gedurende 8 weken [Kim 2019]. Meer dan 60% had stadium IV kanker, meer dan 75% onderging palliatieve chemotherapie. De gemiddelde BMI bedroeg 22.9 vs. 23.5 kg/m2 bij inclusie. Het effect op het gewicht, eetlust (subdomein ‘verlies van eetlust’ van het EORTC QLQ-C30 instrument), energie inname, vetvrije massa en kwaliteit van leven (gemeten met het EORTC QLQ-C30 instrument) werd gerapporteerd. 
  • Chewaskulyong et al. randomiseerden 80 patiënten met longkanker die definitieve behandeling ondergingen naar voedingsadvies of routinezorg [Chewaskulyong 2024]. Meer dan 70% had stadium IV kanker; 45% onderging palliatieve chemotherapie of ondersteunende zorg. 27.5% had minstens 5% gewichtsverlies gedurende de maand voorafgaand aan de inclusie. Het effect op het gewicht, BMI, voedingsscore, energie inname, kwaliteit van leven (gemeten met het Thai Modified Functional Living Index Cancer Questionnaire version 2 instrument) en overleving werd gerapporteerd. 
  • Sukaraphat et al. includeerden 50 patiënten met gevorderde kanker en anorexie die eerstelijns chemotherapie ondergingen naar voedingsadvies of standaardzorg [Sukaraphat 2016]. Meer dan 90% had stadium IV kanker. 52% had minstens 10% gewichtsverlies gedurende de 6 maanden voorafgaand aan inclusie. Het effect op het gewicht, BMI, voedingsscore, energie inname en kwaliteit van leven (gemeten met het T-FLIC 2 instrument) werd gerapporteerd. 
  • van der Werf et al. randomiseerden 107 patiënten met gemetastaseerde colorectale kanker die eerstelijns chemotherapie ondergingen naar voedingsadvies of gewone zorg [van der Werf 2020]. 40% had een gewichtsverlies van meer dan 5% gedurende de 6 maanden voorafgaand aan inclusie. De gemiddelde BMI bedroeg 25.6 vs. 25.7 kg/m2 bij inclusie. Het effect op het gewicht, eetlust (subdomein ‘verlies van eetlust’ van het EORTC QLQ-C30 instrument), bijwerkingen, energie inname, kwaliteit van leven (gemeten met het EORTC QLQ-C30 instrument) en overleving werd gerapporteerd. 

Drie gerandomiseerde studies rapporteerden het effect van voedingsinterventies bij patiënten met gevorderd COPD: 

  • Conway et al. randomiseerden 40 patiënten met stabiele COPD en malnutritie naar geïndividualiseerd voedingsadvies aangevuld met orale voedingssupplementen (Sustagen®, 2x per dag in 200 ml volle melk: dagelijks 714 kcal, 40.6 gram eiwitten) gedurende 12 weken of standaardzorg (geïndividualiseerd voedingsadvies met aanbeveling om Sustagen® te gebruiken) [Conway 2024]. 15% had matige COPD, 39% ernstige COPD en 45% zeer ernstige COPD. De gemiddelde BMI bij inclusie bedroeg 18.7 vs. 17.7 kg/m2. Het effect op gewicht, energie inname en kwaliteit van leven werd gerapporteerd, maar enkel voor gewicht werd een statistische vergelijking gerapporteerd. 
  • Gurgun et al. randomiseerden 46 patiënten met ernstige tot zeer ernstige COPD en ondervoeding naar pulmonaire revalidatie met (N=15) of zonder (N=15) voedingsadvies en drinkvoeding (3 x 250 ml per dag: 30% vetten, 53.3% koolhydraten en 16.7% eiwitten) gedurende 8 weken of naar gewone zorg (N=16) [Gurgun 2013]. De gemiddelde BMI bij inclusie bedroeg 17.8 vs. 20.0 vs. 19.1 kg/m2. Het effect op gewicht, BMI, vetvrije massa index en kwaliteit van leven (gemeten met de St. George’s Respiratory Questionnaire, SGRQ) werd gerapporteerd, maar enkel voor gewicht en BMI werd een statistische vergelijking gerapporteerd. 
  • Mogelberg et al. randomiseerden 13 patiënten met ernstige COPD (stadium III-IV) en een risico op ondervoeding naar pulmonaire revalidatie met (N=7) of zonder (N=6) voedingsadvies (gericht op een verhoogde inname van eiwitten) en een oraal voedingssupplement (Atpro 200: 1570 kJ en 92 gram eiwitten per 100 gram) gedurende 12 weken [Mogelberg 2022]. De gemiddelde BMI bij inclusie bedroeg 22.2 vs. 21.0 vs. 19.1 kg/m2. Enkel het effect op energie inname en vetvrije massa werd gerapporteerd. 

Drie gerandomiseerde studies rapporteerden het effect van voedingsinterventies bij patiënten met ALS: 

  • Dorst et al. randomiseerden 26 patiënten met ALS en gewichtsverlies (gemiddeld 4.1 kg gedurende 6 maanden voorafgaand aan de inclusie) naar een hoogcalorisch voedingssupplement met een hoog vetgehalte (35% vetten, 50% koolhydraten, 15% eiwitten) of een hoogcalorisch voedingssupplement met een hoog koolhydraatgehalte (0% vet, 89% koolhydraten, 11% eiwitten) [Dorst 2013]. Enkel het effect op gewicht, bijwerkingen en lichaamssamenstelling werd gerapporteerd. 
  • Ludolph et al. randomiseerden 207 patiënten met ALS naar een hoogcalorisch vetsupplement (3 x 30 ml/dag; equivalent van 45 gram extra vet per dag, of 405 kcal per dag) of placebo [Ludolph 2020]. De gemiddelde eetlust score (Council of Nutrition Appetite Questionnaire, CNAQ) bedroeg 29 (matig risico op ondervoeding). Het effect op BMI, eetlust (CNAQ score), bijwerkingen, kwaliteit van leven (gemeten met het Schedule for the Evaluation of Individual Quality of Life [SEIQoL] instrument) en overleving werd gerapporteerd. 
  • Wang et al. randomiseerden 40 patiënten met ALS die een percutane gastrostomiesonde kregen naar een hoogcalorisch voedingssupplement (Ensure®, 2x per dag 53.8 gram in 195 ml warm water: energie 1801 kJ, 14 gram vetten, 57.4 gram koolhydraten, 15.9 gram eiwitten) of een routine conventioneel dieet [Wang 2022]. Het gemiddelde gewichtsverlies voor de interventie bedroeg 0.72 vs. 0.74 kg. Het effect op gewicht, BMI, bijwerkingen en overleving werd gerapporteerd. 

Geen enkele relevante gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect van voedingsinterventies bij patiënten met gevorderd hartfalen. 

De meeste studies hadden een onduidelijk of hoog risico op bias (tabel 1 - Risk of bias van de geïncludeerde RCT’s). In 9 studies was er een onduidelijke blindering van toewijzing (allocation concealment) [Bouleuc 2020, Conway 2024, Dorst 2013, Gurgun 2013, Kapoor 2017, Kim 2019, Mogelberg 2022, Obling 2019, Oh 2014, van der Werf 2020]. Geen enkele studie was dubbelblind met ook blindering van de onderzoekers; in slechts één studie waren de patiënten expliciet geblindeerd [Ludolph 2020]. In 13 studies werden niet alle gerandomiseerde patiënten meegenomen in de analyses (dus geen intention-to-treat analyse) [Bouleuc 2020, Cereda 2019, Conway 2024, Ishiki 2015, Kapoor 2017, Kim 2019, Ludolph 2020, Mogelberg 2022, Sukaraphat 2016, van der Werf 2020] of was dit onduidelijk [Dorst 2013, Gurgun 2013, Oh 2014]. 

Tabel 1 - Risk of bias van de geïncludeerde RCT’s

Effecten

Kanker

1. Voedingsadvies
Chewaskulyong et al. rapporteerden een gewichtsdaling in zowel de groep behandeld met voedingsadvies als standaardzorg, en dit na 3-4 weken en na 12 weken, maar de gewichtsdaling was minder uitgesproken in de groep behandeld met voedingsadvies (3-4 weken: -0.76 vs. -2.55%, p=0.0499; 12 weken: -1.08 vs. -4.33%, p=0.053) [Chewaskulyong 2024]. Sukaraphat et al. rapporteerden een gewichtstoename in de groep behandeld met voedingsadvies en een gewichtsdaling in de groep behandeld met standaardzorg, zowel op het einde van de chemotherapie als 2 maanden na de chemotherapie, en het verschil was significant op het einde van de chemotherapie (einde chemotherapie: +2.29 vs. 1.70%, p=0.03; 2 maanden na chemotherapie: +2.56 vs. -0.27%, p=0.19) [Sukaraphat 2016]. Ook van der Werf et al. rapporteerden een significant effect op het gewicht na 9-12 weken in de groep behandeld met voedingsadvies vs. standaardzorg (gemiddeld verschil = 1.7 kg; 95%BI 0.0-3.3, p=0.045) [van der Werf 2020]. 

Chewaskulyong et al. rapporteerden een daling van de BMI in zowel de groep behandeld met voedingsadvies als standaardzorg, en dit na 3-4 weken en na 12 weken, en het verschil was niet significant (3-4 weken: -0.84 vs. -2.49%, p=0.061; 12 weken: -1.48 vs. -4.47%, p=0.093) [Chewaskulyong 2024]. Sukaraphat et al. rapporteerden een toename in BMI in de groep behandeld met voedingsadvies en een daling in BMI in de groep behandeld met standaardzorg, zowel op het einde van de chemotherapie als 2 maanden na de chemotherapie, en het verschil was significant op het einde van de chemotherapie (einde chemotherapie: +2.27 vs. 1.53%, p=0.03; 2 maanden na chemotherapie: +2.55 vs. -0.09%, p=0.25) [Sukaraphat 2016]. 

Chewaskulyong et al. rapporteerden geen significant verschil in effect op de voedingsscore (% verandering, na 3-4 weken: -11.28 vs. -7.26%, p=0.564; na 12 weken: -26.01 vs. -14.54%, p=0.099) [Chewaskulyong 2024]. Sukaraphat et al. rapporteerden wel een significant effect op de Patient Generated-Subjective Global Assessment (PG-SGA) score, zowel op het einde van de chemotherapie (gemiddelde score: 6.67 vs. 10.04, p<0.001) als 12 weken na de chemotherapie (gemiddelde score: 5.65 vs. 7.75, p<0.01) [Sukaraphat 2016]. Van der Werf et al. rapporteerden daarentegen geen significant effect op de eetlust (subdomein ‘verlies van eetlust’ van het EORTC QLQ-C30 instrument, gemiddeld verschil na 9-12 weken: 3.4, 95%BI -10.3 tot 17.2, p=0.621) [van der Werf 2020]. 

Chewaskulyong et al. rapporteerden een significant verschil wat betreft gemiddelde energie inname, zowel na 3-4 weken (1508.34 vs. 1368.10 kcal, p=0.03) als na 12 weken (1594.19 vs. 1395.02, p=0.006) [Chewaskulyong 2024], terwijl Sukaraphat et al. geen significant verschil vonden (einde chemotherapie: 1832 vs.1640.92 kcal, p=0.21; 2 maanden na chemotherapie: 46.45 vs. 41.1, p=0.08) [Sukaraphat 2016]. Gecombineerd waren de verschillen wel significant (zie GRADE tabellen). Van der Werf et al. rapporteerden dat significant meer patiënten in de groep behandeld met voedingsadvies hun energiedoel volledig behaalden (61% vs. 40%, p=0.043) [van der Werf 2020]. 

Chewaskulyong et al. rapporteerden geen significant verschil in effect op de kwaliteit van leven (gemiddelde T-FLIC 2 score, na 3-4 weken: 49.98 vs. 45.58, p=0.06; na 12 weken: 52.31 vs. 49.67, p=0.255) [Chewaskulyong 2024]. Sukaraphat et al. rapporteerden daarentegen wel een significant verschil op het einde van de chemotherapie (gemiddelde T-FLIC 2 score: 46.16 vs. 39.4, p=0.01), maar niet 2 maanden na de chemotherapie (gemiddelde T-FLIC 2 score: 46.45 vs. 41.1, p=0.08) [Sukaraphat 2016]. Gecombineerd waren de verschillen wel significant (zie GRADE tabellen). Van der Werf et al. rapporteerden geen significant verschil na 9-12 weken (EORTC QLQ-C30, “global health”, gemiddeld verschil = 2.2, 95%BI -6.4 tot 10.7, p=0.617) [van der Werf 2020]. 

Chewaskulyong et al. rapporteerden geen significant verschil in mediane progressievrij overleving (9.54 vs. 9.90 maanden, p=0.473) en totale overleving (18.82 vs. 17.18 maanden, p=0.516) [Chewaskulyong 2024], terwijl van der Werf et al. wel een significant verschil rapporteerden (mediane progressievrij overleving: 9.6 vs. 7.6 maanden, p=0.039; mediane totale overleving: 21.7 vs. 16.0 maanden, p=0.046) [van der Werf 2020]. 
Van der Werf et al. rapporteerden geen significant verschil in graad 3-4 toxiciteit (odds ratio = 0.70, 95%BI 0.28-1.75) [van der Werf 2020].

2. Voedingssupplementen
Cereda et al. rapporteerden een significant sterkere gewichtstoename na 3 maanden in de groep behandeld met voedingsadvies en wei-eiwit isolaat vs. voedingsadvies alleen (gemiddeld verschil = 1.7, 95%BI 0.2-3.1, p=0.023), maar niet na 1 maand (gemiddeld verschil = 0.4, 95%BI -0.3 tot 1.2, p=0.22) [Cereda 2019]. Ook de vetvrije massa index nam significant sterker toe na 3 maanden in de groep behandeld met voedingsadvies en wei-eiwit isolaat vs. voedingsadvies alleen (gemiddeld verschil = 0.46, 95%BI 0.02-0.90, p=0.041), maar niet na 1 maand (gemiddeld verschil = 0.12, 95%BI -0.27 tot 0.51, p=0.53). Er was geen significant verschil wat betreft de toename in energie inname (gecorrigeerd gemiddeld verschil = +0.40 kcal/kg/dag, 95%BI -1.76 tot 2.55, p=0.72). Cereda et al. rapporteerden eveneens geen significant verschil in het effect op kwaliteit van leven na 3 maanden (EORTC QLQ‐C30, globale score, gemiddeld verschil = 2.40, 95%BI -2.71 tot 7.51, p=0.35). Er waren geen bijwerkingen of overlijdens gerelateerd aan de interventies. 

Kapoor et al. rapporteerden een gewichtstoename in de groep behandeld met voedingsadvies en toevoeging van een voedingssupplement (IAtta) (3 maanden: +1.1 kg; 6 maanden: +1.8 kg), maar een gewichtsdaling in de groep behandeld met voedingsadvies alleen (3 maanden: -0.3 kg; 6 maanden: -1.5 kg) [Kapoor 2017]. Een statistische vergelijking tussen beide behandelgroepen werd echter niet gerapporteerd. Zowel na 3 maanden (subdomein ‘verlies van eetlust’ EORTC QLQ-C30: mediane score 0 vs. 100, p<0.001) als na 6 maanden (mediane score 0 vs. 100, p=0.001) was er een significante verbetering van de eetlust in de groep behandeld met voedingsadvies en IAtta vs. de groep behandeld met voedingsadvies alleen. Ook de gemiddelde energie inname was significant hoger in de groep behandeld met voedingsadvies en IAtta vs. de groep behandeld met voedingsadvies alleen, en dit zowel na 3 maanden (1284.4 vs. 689.0 kcal, p=0.003) als na 6 maanden (1485.3 vs. 803.0 kcal, p=0.001). De kwaliteit van leven, tenslotte, was eveneens significant beter in de groep behandeld met voedingsadvies en IAtta (EORTC-QLQ-C30, mediane globale score: 3 maanden 66.6 vs.41.7, p=0.001; 6 maanden 66.7 vs. 16.7, p<0.001). 

Kim et al. rapporteerden na 8 weken een gemiddelde gewichtstoename van 2.04 kg in de groep die behandeld werd met een oraal voedingssupplement (Medifood Miniwell OS) vs. een gewichtsafname van 0.86 kg in de groep die geen oraal voedingssupplement kreeg, en dit verschil was statistisch significant (p=0.049) [Kim 2019]. De verbetering van anorexie gemeten met het EORTC QLQ-C30 instrument verschilde niet significant na 8 weken (-15.6 vs. -5.26, p=0.248), hoewel het gemiddeld verschil berekend met Review Manager 5.3 significant was (-10.34, 95%BI -15.77 tot -4.91, p=0.0002). De energie inname verschilde eveneens niet significant (1946.4 vs. 1689.4 kcal). De gemiddelde toename in vetvrije massa na 8 weken bedroeg 1.01 kg in de groep die behandeld werd met Medifood Miniwell OS vs. een afname van 1.04 kg in de groep die geen oraal voedingssupplement kreeg, en dit verschil was statistisch significant (p=0.034). Er werd geen verschil in kwaliteit van leven gerapporteerd na 8 weken ((EORTC-QLQ-C30, globale score, verandering t.o.v. baseline na 8 weken: 10 vs. 4.83, p=0.477). 

Ishiki et al. rapporteerden een tendens tot betere scores op het subdomein ‘verlies van eetlust’ van het EORTC QLQ-C15-PAL instrument in de groep behandeld met een aminozuurhoudende gelei (Inner Power®) vs. een vloeibaar enteraal voedingssupplement (Ensure Liquid®) of de combinatie van beiden, maar een statistische vergelijking werd niet gerapporteerd (75 vs. 100 vs. 93.3) [Ishiki 2015]. Misselijkheid kwam vaker voor in de groep behandeld met Ensure Liquid® (37,5%) dan in de groep behandeld met Inner Power® (0%) en de gecombineerde groep (12,5%). De mediane totale overleving bedroeg 9 dagen in de groep behandeld met Inner Power® vs. 7 dagen in de groep behandeld met Ensure Liquid® en 8 dagen in de gecombineerde groep. Ook hier werd geen statistische vergelijking gerapporteerd. 

3. Parenterale voeding
Bouleuc et al. rapporteerden een gemiddelde gewichtstoename van 0.33 kg na 2 maanden voor het volledige cohort, maar geen significant verschil tussen parenterale en orale voeding (geen data gerapporteerd) [Bouleuc 2020]. De verslechteringsvrije overleving voor verlies aan eetlust verschilde eveneens niet significant (hazard ratio = 1.27, 95%BI 0.86-1.88, p=0.233), net als de verslechteringsvrije overleving voor kwaliteit van leven (hazard ratio = 1.31, 95%BI 0.88-1.94, p=0.18). Op de subschaal “fysiek functioneren” van de EORTC QLQ-C15-PAL scoorde de groep behandeld met orale voeding significant beter (hazard ratio voor verslechteringsvrije overleving = 1.58, 95%BI 1.06-2.35, p=0.024). De mediane tijd tot verslechtering van de performance status was significant korter in de groep behandeld met parenterale voeding (1.6 vs. 5.7 maanden; hazard ratio = 2.24, 95%BI 1.21-4.15, p=0.008). De mediane totale overleving verschilde niet significant tussen beide behandelgroepen (2 vs. 3 maanden, p=0.14). In de groep behandeld met parenterale voeding werden significant meer ernstige bijwerkingen vastgesteld (7 vs. 1, p=0.0105). 

Obling et al. rapporteerden enkel een significant effect op BMI na 12 weken in de groep behandeld met voedingsadvies en parenterale voeding thuis vs. voedingsadvies alleen (gemiddeld verschil = 1.65, 95%BI 0.4-2.9, p<0.05), maar niet na 6 weken (gemiddeld verschil = 0.43, 95%BI -0.7 tot 1.6), 18 weken (gemiddeld verschil = -0.49, 95%BI -1.9 tot 1.0) en 24 weken (gemiddeld verschil = -0.66, 95%BI -2.1 tot 0.8) [Obling 2019]. Ook voor vetvrije massa (gemiddeld verschil = 6.44, 95%BI 2.90-10.00, p<0.01), vetvrije massa index (gemiddeld verschil = 2.03, 95%BI 0.8-3.3, p<0.01) en kwaliteit van leven (gemiddeld verschil = 16.00, 95%BI 0.6-31.4, p<0.05) werd enkel een significant effect gevonden na 12 weken in de groep behandeld met voedingsadvies en parenterale voeding thuis vs. voedingsadvies alleen. Het effect op de 24-uurs energie inname verschilde niet significant tussen beide behandelgroepen (gemiddeld verschil: 6 weken 29.7, 95%BI -14.0 tot 73.3; 12 weken 2.9, 95%BI -4.6 tot 51.5; 18 weken 12.9, 95%BI -39.4 tot 65.2; 24 weken 35.2, 95%BI -21.2 tot 91.6). Er werd geen verschil in overleving vastgesteld (mediane overleving: 168 vs. 169 dagen; 6-maanden overleving: 50% vs. 44%; 1-jaars overleving: 14% vs. 20%). 

Oh et al. rapporteerden een significant hogere energie inname in de groep behandeld met parenterale voeding vs. intraveneus vocht (1268.8 vs. 374.7 kcal/dag, p<0.001) [Oh 2014]. De mediane overleving verschilde niet significant (13 vs. 8 dagen, p=0.982). 

COPD 

Conway et al. rapporteerden geen significant verschil in gewichtstoename na 12 weken (voedingsadvies + voedingssupplement +1.3 kg vs. voedingsadvies +0.95 kg, p=0.203) [Conway 2024]. Na 12 weken had de volledige cohorte een gemiddelde toename in energie inname van 399 kcal per dag (p=0.091), maar een vergelijking tussen beide behandelgroepen werd niet gerapporteerd. De kwaliteit van leven van de volledige cohorte verbeterde significant (SGRQ totale score -4.4, p=0.04), maar ook hier werd een vergelijking tussen beide behandelgroepen niet gerapporteerd. 

Gurgun et al. rapporteerden een significant sterkere gewichtstoename na 12 weken in de groep behandeld met pulmonaire revalidatie met voedingsadvies en drinkvoeding (+1.1 kg) vs. de groep behandeld met pulmonaire revalidatie zonder voedingsadvies en drinkvoeding (+0.6 kg, p<0.05) en de controlegroep (-0.4 kg, p=0.001) [Gurgun 2013]. Ook de toename in BMI was significant hoger na 12 weken (+0.2 vs. +0.08 vs. -1.1 kg/m2). De toename in de vetvrije massa index bedroeg +0.6, +0.1 en +0.1 kg/m2, respectievelijk, maar een statistische vergelijking werd niet gerapporteerd (het gemiddeld verschil berekend met Review Manager 5.3. bedraagt 0.50, 95%BI 0.10-0.90, p=0.01). De verbetering in de SGRQ-score bedroeg -6.2, -6.7 en -0.18, respectievelijk, maar een statistische vergelijking werd ook hier niet gerapporteerd (het gemiddeld verschil berekend met Review Manager 5.3. bedraagt 0.50, 95%BI -5.37 tot 6.37, p=0.87). 

Mogelberg et al. rapporteerden geen significant verschil in vetvrije massa na 12 weken tussen pulmonaire revalidatie met of zonder voedingsadvies en een voedingssupplement (45.9 vs. 36.3 kg, p=0.23) [Mogelberg 2022]. De gemiddelde energie inname na 12 weken bedroeg 1755 vs. 1644 kcal per dag, maar een statistische vergelijking werd niet gerapporteerd.

ALS

Dorst et al. rapporteerden geen significant verschil in het effect op gewicht tussen hoogcalorische voedingssupplementen met een hoog vetgehalte vs. hoog koolhydraatgehalte (gemiddelde gewichtstoename per maand: 0.52 vs. 0.28 kg, p=0.37) [Dorst 2013]. De mediane toename in lichaamsvet na 12 weken was wel significant hoger in de groep behandeld met het hoogcalorische voedingssupplement met een hoog vetgehalte (+2.8% vs. 1.2%, p=0.035). De mediane afname in spiermassa na 12 weken verschilde dan weer niet significant (-0.5 vs. 0.1 kg, p=0.44). Afgezien van één patiënt in de groep behandeld met het hoogcalorische voedingssupplement met een hoog vetgehalte, waren er in geen van beide behandelgroepen bijwerkingen. 

Ludolph et al. rapporteerden geen significant verschil in het effect op de BMI tussen een hoogcalorisch vetsupplement en placebo (verandering van BMI per maand [mediane helling van univariaat lineair regressiemodel]: -0.06 vs. -0.09 kg/m2, p=0.09) [Ludolph 2020]. Ook het verschil in effect op de eetlust score (verandering van CNAQ-score per maand [mediane helling van univariaat lineair regressiemodel]: -0.16 vs. -0.08 punten, p=0.39) en kwaliteit van leven (verandering van SEIQoL-score per maand [mediane helling van univariaat lineair regressiemodel]: -0.10 vs. 0.00%, p=0.55) was niet significant. Ook de totale overleving verschilde niet significant tussen beide behandelgroepen (hazard ratio = 0.97, 95%BI -¥ to 1.44, p=0.44). De frequenties van bijwerkingen waren vergelijkbaar tussen beide groepen (proportie patiënten met ernstige bijwerkingen: 52.9% vs. 57.7%, geen p-waarde gerapporteerd). 

Wang et al. rapporteerden, na correctie voor het gewicht bij inclusie, een toename in gewicht na 6 maanden in de groep behandeld met een hoogcalorisch voedingssupplement, maar het verschil met de groep behandeld met een standaard conventioneel dieet was niet significant (F=3.763, p=0.06) [Wang 2022]. Ook wat betreft BMI werd geen significant verschil gevonden (F=1.45, p=0.24). In geen van beide groepen traden ernstige bijwerkingen op. De totale overleving was significant beter in de groep behandeld met een hoogcalorisch voedingssupplement (p=0.049). De 3-maanden overleving bedroeg 100% vs. 80%, de 6-maanden overleving 100% vs. 70%, en de 1-jaars overleving 80% vs. 55%.

Literatuuronderzoek tot 2013

Effect van voedingsadviezen en gebruik van voedingssupplementen c.q. drinkvoeding

--                  

De werkgroep is van mening dat over de invloed van voedingsadviezen en het gebruik van voedingssupplementen op de voedingstoestand en kwaliteit van leven van patiënten met kanker in de palliatieve fase, hartfalen en ALS geen uitspraak kan worden gedaan.

-- De werkgroep is van mening dat het gebruik van voedingssupplementen een positieve invloed kan hebben op het gewicht, de vetmassa en vetvrije massa, de handknijpkracht, de ademhalingsspierkracht, de functionele capaciteit en de kwaliteit van leven van patiënten met COPD. 
[Anker 2006, Collins 2012/2013, Ferreira 2012]

Effect van sondevoeding

--                      

De werkgroep is van mening dat sondevoeding een positieve invloed kan hebben op kwaliteit van leven en overleving bij patiënten met kanker in de palliatieve fase, die niet kunnen eten door een voedselpassagestoornis hoog in het maagdarmkanaal resp. een slikstoornis, mits er sprake is van een Karnofsky Performance status van > 50% en een levensverwachting van > 2-3 maanden.
[Arends 2006, Bachmann 2003, IKNL 2010, Radbruch 2010]

-- De werkgroep is van mening dat over de rol van sondevoeding bij hartfalen en COPD geen uitspraak kan worden gedaan.
-- De werkgroep is van mening dat het onzeker is of sondevoeding via PEG-katheter een positieve invloed heeft op gewichtsbehoud en overleving bij patiënten met ALS met bulbaire slikstoornissen. 
[Langmore 2006, Katzberg 2011, Miller 2009]

Effect van parenterale voeding

--                  

De werkgroep is van mening dat totale parenterale voeding effect heeft op kwaliteit van leven en overleving bij geselecteerde patiënten met kanker in de palliatieve fase en een ileus, die een Karnofsky Performance Status hebben van > 50% en een geschatte levensverwachting van > 2-3 maanden.
[August 2009, Bachmann 2003, Bozzetti 2009 en 2012, IKNL 2012, Mirhosseini 2005, Muscartoli 2012]

-- De werkgroep is van mening dat over de invloed van totale parenterale voeding bij patiënten met hartfalen op gewichtsverlies, progressie van de ziekte, overleving en morbiditeit geen uitspraak kan worden gedaan.
[Anker 2009]
-- De werkgroep is van mening dat er bij patiënten met COPD over het algemeen geen indicatie is voor het starten van (totale) parenterale voeding.
[Anker 2009]

Literatuuronderzoek vanaf 2012

Voedingsadvies

LAAG                  

Voedingsadvies lijkt een significant effect te hebben op het gewicht en de BMI in vergelijking met standaardzorg bij patiënten met gevorderde kanker 
[Chewaskulyong 2024, Sukaraphat 2016]

LAAG Voedingsadvies lijkt een significant effect te hebben op de eetlust en kwaliteit van leven in vergelijking met standaardzorg bij patiënten met gevorderde kanker, maar de evidence is conflicterend. 
[Chewaskulyong 2024, Sukaraphat 2016, van der Werf 2020]
LAAG Voedingsadvies lijkt een significant effect te hebben op de energie inname in vergelijking met standaardzorg bij patiënten met gevorderde kanker. 
[Chewaskulyong 2024, Sukaraphat 2016, van der Werf 2020]
ZEER LAAG De evidence is zeer onzeker over het effect van voedingsadvies op de overleving in vergelijking met standaardzorg bij patiënten met gevorderde kanker. 
[Chewaskulyong 2024, van der Werf 2020]
ZEER LAAG Voedingsadvies lijkt niet te lijden tot verschil in graad 3-4 toxiciteit t.g.v. chemotherapie in vergelijking met standaardzorg bij patiënten met gevorderde kanker en anorexie, maar de evidence is zeer onzeker. 
[van der Werf 2020]

Voedingssupplementen

LAAG - REDELIJK

Voedingsadvies gecombineerd met een wei-eiwit isolaat supplement heeft waarschijnlijk geen significant effect op het gewicht en de vetvrije massa index na 1 maand in vergelijking met voedingsadvies alleen bij patiënten met gevorderde kanker en malnutritie (redelijke bewijskracht), maar lijkt wel een significant effect te hebben na 3 maanden (lage bewijskracht). 
[Cereda 2019]

LAAG Voedingsadvies gecombineerd met een wei-eiwit isolaat supplement lijkt geen significant effect te hebben op de energie inname in vergelijking met voedingsadvies alleen bij patiënten met gevorderde kanker en malnutritie. 
[Cereda 2019]
REDELIJK Voedingsadvies gecombineerd met een wei-eiwit isolaat supplement heeft waarschijnlijk geen significant effect op de kwaliteit van leven en bijwerkingen in vergelijking met voedingsadvies alleen bij patiënten met gevorderde kanker en malnutritie. 
[Cereda 2019]
ZEER LAAG De bewijsvoering is zeer onzeker wat betreft het effect van voedingsadvies gecombineerd met een hoogcalorisch voedingssupplement een hoogcalorisch voedingssupplement (IAtta) op het gewicht in vergelijking met voedingsadvies alleen bij vrouwen met kanker in de palliatieve fase en cachexie. 
[Kapoor 2017]
REDELIJK Voedingsadvies gecombineerd met een hoogcalorisch voedingssupplement (IAtta) heeft waarschijnlijk een significant effect op de eetlust, energie inname en kwaliteit van leven in vergelijking met voedingsadvies alleen bij vrouwen met kanker in de palliatieve fase en cachexie. 
[Kapoor 2017]
REDELIJK Behandeling met een oraal voedingssupplement (Medifood Miniwell OS) heeft waarschijnlijk een significant effect op het gewicht en de vetvrije massa in vergelijking met geen oraal voedingssupplement bij patiënten met gevorderde pancreas- of galwegkanker die behandeling met chemotherapie krijgen. 
[Kim 2019]
LAAG Behandeling met een oraal voedingssupplement (Medifood Miniwell OS) lijkt geen significant effect te hebben op de kwaliteit van leven in vergelijking met geen oraal voedingssupplement bij patiënten met gevorderde pancreas- of galwegkanker die behandeling met chemotherapie krijgen. 
[Kim 2019]
ZEER LAAG Behandeling met een oraal voedingssupplement (Medifood Miniwell OS) lijkt geen significant effect te hebben op de energie inname en anorexie in vergelijking met geen oraal voedingssupplement bij patiënten met gevorderde pancreas- of galwegkanker die behandeling met chemotherapie krijgen, maar de evidence is zeer onzeker. 
[Kim 2019]
ZEER LAAG De bewijsvoering is zeer onzeker over de effectiviteit van een aminozuurhoudende gelei (Inner Power®) vs. een vloeibaar enteraal voedingssupplement (Ensure Liquid®) of de combinatie van beiden bij patiënten met terminale kanker. 
[Ishiki 2015]

Parenterale voeding

ZEER LAAG          

Parenterale voeding lijkt geen significant effect te hebben op het gewicht, de eetlust, de kwaliteit van leven (behalve op de subschaal “fysiek functioneren”) en de totale overleving in vergelijking met orale voeding bij patiënten met gevorderde kanker en malnutritie, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Bouleuc 2020]

ZEER LAAG Parenterale voeding lijkt een significant negatief effect te hebben op de performance status en bijwerkingen in vergelijking met orale voeding bij patiënten met gevorderde kanker en malnutritie, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Bouleuc 2020]
LAAG Parenterale voeding thuis in combinatie met voedingsadvies lijkt slechts een tijdelijk significant effect te hebben op de BMI, vetvrije massa (index) en kwaliteit van leven in vergelijking met voedingsadvies alleen bij patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde gastro-intestinale kanker en een risico op ondervoeding. 
[Obling 2019]
LAAG Parenterale voeding thuis in combinatie met voedingsadvies lijkt geen significant effect te hebben op de energie inname in vergelijking met alleen een voedingsadvies bij patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde gastro-intestinale kanker en een risico op ondervoeding. 
[Obling 2019]
ZEER LAAG Parenterale voeding thuis in combinatie met voedingsadvies lijkt geen significant effect te hebben op de overleving in vergelijking met voedingsadvies alleen bij patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde gastro-intestinale kanker en een risico op ondervoeding, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Obling 2019]
REDELIJK Parenterale voeding heeft waarschijnlijk een significant effect op de energie inname in vergelijking met intraveneus vocht bij patiënten met terminale kanker. 
[Oh 2014]
ZEER LAAG Parenterale voeding lijkt geen significant effect te hebben op de overleving in vergelijking met intraveneus vocht bij patiënten met terminale kanker, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Oh 2014]

COPD

ZEER LAAG                   Het toevoegen van een oraal voedingssupplement aan een geïndividualiseerd voedingsadvies lijkt geen significant effect te hebben op het gewicht van patiënten met COPD en ondervoeding, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Conway 2024]
ZEER LAAG Pulmonaire revalidatie met voedingsadvies en een voedingssupplement lijkt een significant effect te hebben op het gewicht, de BMI en vetvrije massa index in vergelijking met pulmonaire revalidatie alleen bij patiënten met gevorderde COPD, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Gurgun 2013]
ZEER LAAG Pulmonaire revalidatie met voedingsadvies en een voedingssupplement lijkt geen significant effect te hebben op de vetvrije massa index en kwaliteit van leven in vergelijking met pulmonaire revalidatie alleen bij patiënten met gevorderde COPD, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Gurgun 2013, Mogelberg 2022]

ALS

ZEER LAAG           

Een hoogcalorisch voedingssupplement met hoog vetgehalte lijkt geen significant effect te hebben op het gewicht, de spiermassa en bijwerkingen in vergelijking met een hoogcalorisch voedingssupplement met hoog koolhydraatgehalte bij patiënten met ALS en gewichtsverlies, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Dorst 2013]

ZEER LAAG Een hoogcalorisch voedingssupplement met hoog vetgehalte lijkt een significant effect te hebben op de vetmassa in vergelijking met een hoogcalorisch voedingssupplement met hoog koolhydraatgehalte bij patiënten met ALS en gewichtsverlies, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Dorst 2013]
REDELIJK Een hoogcalorisch vetsupplement heeft waarschijnlijk geen significant effect op de eetlust en kwaliteit van leven in vergelijking met placebo bij patiënten met ALS. 
[Ludolph 2020] 
LAAG Een hoogcalorisch vetsupplement lijkt geen significant effect te hebben op de BMI en bijwerkingen in vergelijking met placebo bij patiënten met ALS. 
[Ludolph 2020]
ZEER LAAG Een hoogcalorisch vetsupplement lijkt geen significant effect te hebben op de totale overleving in vergelijking met placebo bij patiënten met ALS, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Ludolph 2020]
ZEER LAAG Een hoogcalorisch voedingssupplement via een gastrostomiesonde lijkt geen significant effect te hebben op het gewicht en de BMI in vergelijking met een routine conventioneel dieet via een gastrostomiesonde bij patiënten met ALS, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Wang 2022]
REDELIJK Een hoogcalorisch voedingssupplement via een gastrostomiesonde heeft waarschijnlijk geen significant effect op bijwerkingen in vergelijking met een standaard conventioneel dieet via een gastrostomiesonde bij patiënten met ALS, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Wang 2022]
ZEER LAAG Een hoogcalorisch voedingssupplement via een gastrostomiesonde lijkt een significant effect te hebben op de overleving van patiënten met ALS in vergelijking met een routine conventioneel dieet via een gastrostomiesonde, maar de bewijsvoering is zeer onzeker. 
[Wang 2022]

Voedingsinterventies zijn de basis van de behandeling van ondervoeding en cachexie in de palliatieve fase, maar zijn niet altijd haalbaar en effectief en soms ook niet gewenst. Inname van voedsel wordt bemoeilijkt door (vooral bij patiënten met kanker vaak voorkomende) klachten in de palliatieve fase, zoals anorexie, smaakstoornissen, droge mond, snelle verzadiging en misselijkheid [Del Fabbro 2011, Teunissen 2007]. Waar mogelijk worden deze klachten behandeld met als doel om de inname van voedsel te bevorderen (zie module Behandeling van de oorzaak).
Het is belangrijk om de patiënt goed voor te lichten (zie module Voorlichting) en ook praktische tips te bespreken zoals: 

  • rusten voor de maaltijd;
  • vermijden van onaangename luchtjes;
  • gebruik van meerdere kleine maaltijden;
  • gebruik van zachte voeding;
  • een extra broodmaaltijd als de warme maaltijd tegenstaat;
  • aanpassen van de maaltijd aan de smaak van de patiënt, bijv. liever koude en friszure gerechten dan een warme maaltijd. Gebruik eventueel het Smaak Kompas;
  • aandacht voor een appetijtelijke presentatie en een prettige ambiance;
  • het gebruik van kant-en-klare producten of van een maaltijdservice.

Voedingsinterventies zijn vooral effectief als het gewichtsverlies veroorzaakt wordt door verminderde inname of resorptie of verhoogd verlies van nutriënten (‘ondervoeding door hongeren, zie Achtergrond). Naarmate inflammatie meer op de voorgrond komt te staan, neemt de effectiviteit van voedingsinterventies af. Als er tegelijkertijd ziektegerichte behandeling (bijv. systemische therapie bij patiënten met kanker) wordt ingezet, kunnen voedingsinterventies wel ingezet worden in situaties waarin inflammatie op de voorgrond staat.
De keuze voor het inzetten of juist afzien van voedingsinterventies begint met het vaststellen van het doel ervan. Wanneer handhaving of verbetering van de voedingstoestand een haalbaar en gewenst doel is, wordt gekozen voor voeding volgens berekende behoefte. In de praktijk is dit in de meeste gevallen een energie- en/of eiwitverrijkt dieet, al dan niet in combinatie met voedingssupplementen (vaak drinkvoeding); in sommige gevallen wordt gekozen voor sondevoeding en (zelden) parenterale voeding. Bij ver voortgeschreden ziekte (waarbij inflammatie op de voorgrond staat) is handhaving of verbetering van de voedingstoestand geen haalbaar doel (meer) en wordt gekozen voor comfortvoeding. 
Het type voeding hangt samen met de aard van de palliatie (zie Algemene principes van palliatieve zorg en figuur 1 - Voeding bij gewichtsverlies in relatie tot de aard van de palliatie). Bij ziektegerichte palliatie zal over het algemeen gekozen worden voor voeding volgens berekende behoefte, terwijl bij uitsluitend symptoomgerichte palliatie meestal gekozen wordt voor comfortvoeding. In de stervensfase houdt de patiënt op met eten (en later ook met drinken) en worden eventuele eerder gestarte specifieke voedingsinterventies (zoals sondevoeding of parenterale voeding) gestaakt.

rl_PZ_bij_verminderde_eetlust_2026_fig_1_voeding-aard_palliatie.png

Figuur 1 - Voeding bij gewichtsverlies in relatie tot de aard van de palliatie

Bespreking van onderzoeksresultaten

Hieronder worden de verschillende voedingsinterventies per ziekte besproken. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de uitkomsten van het literatuuronderzoek, mening van de werkgroep en richtlijnen met betrekking tot ondervoeding en cachexie:

  • Algemeen: Richtlijn ondervoeding [Multidisciplinaire richtlijn ondervoeding (2019)], de LESA ondervoeding [Mensink 2010], de Richtlijn Ondervoeding bij de Geriatrische Patiënt [2013] en richtlijnen van de European Society for Clinical Nutrition and Metabolism (ESPEN) over enterale en parenterale voeding thuis [Bishoff 2022, Pironi 2023].
  • Richtlijnen voor patiënten met kanker: American Society for Parenteral and Enteral Nutrition (ASPEN) [August 2009], American Society of Clinical Oncology (ASCO) [Roeland 2020], Clinical Oncology Society of Australia (COS) [Kiss 2020], European Association of Palliative Care (EAPC) [Radbruch 2010], European Society for Clinical Nutrition and Metabolism (ESPEN) [Muscaritoli 2021], European Society of Medical Oncology (ESMO) [Arends 2021), French Intergroup [Neuzillet 2021] en Spanish Society of Medical Oncology (SEOM) [Soria Rivas 2024].
  • Voor COPD werden drie richtlijn gevonden: Managing Malnutrition: COPD [Multi professional consensus panel 2023] en 2 oudere richtlijnen van ESPEN [Anker 2006 en 2009].
  • Voor hartfalen werden twee oudere richtlijnen van ESPEN gevonden [Anker 2006 en 2009].
  • Voor ALS werd gebruik gemaakt van een systematische review, waarin 11 richtlijnen over ondervoeding bij ALS werden besproken [De Carvalho Vilar 2025] en de richtlijn Percutane Endoscopische Gastrostomie sonde (PEG-sonde) plaatsing bij patiënten met Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS).

Voedingsadviezen en voedingssupplementen

Het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de Richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) leverde één systematische review naar het effect van voedingsadviezen en/of gebruik van voedingssupplementen op gewicht, inname van energie, kwaliteit van leven en overleving bij patiënten met kanker [Baldwin 2012]. Alle studies hadden betrekking op patiënten tijdens behandeling (chemotherapie, radiotherapie en/of operatie). Slechts twee gerandomiseerde studies hadden uitsluitend betrekking op patiënten met kanker in de palliatieve fase [Baldwin 2008/2011, Evans 1987], die behandeld werden met palliatieve chemotherapie. Indien alle studies werden gecombineerd, bleek (na correctie voor heterogeniteit van de studies) dat voedingsadviezen geen statistisch significant effect hadden op gewicht, inname van energie en overleving, maar wel op globale kwaliteit van leven, anorexie, kortademigheid en emotioneel functioneren. 
Het huidige literatuuronderzoek leverde 3 RCTs op die lieten zien dat voedingsadviezen een positieve invloed hadden op eetlust, gewicht, BMI, energie-inname en kwaliteit van leven bij patiënten met kanker in de palliatieve fase [Chewaskulyong 2024, Sukaraphat 2016, van der Werf 2020]. Het merendeel van de patiënten in deze studies werd behandeld met chemotherapie.

Het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot voedingssupplementen bij patiënten met kanker in de palliatieve fase. 
Het huidige literatuuronderzoek leverde 4 RCTs op met betrekking tot voedingssupplementen:

  • Een wei-eiwit isolaat supplement in combinatie met een voedingsadvies had een significant effect op het gewicht na 3 maanden van patiënten met gevorderde kanker en malnutritie, maar niet op het gewicht na 1 maand, energie inname, vetvrije massa index en kwaliteit van leven in vergelijking met alleen een voedingsadvies [Cereda 2019].
  • Een ander hoogcalorisch voedingssupplement (lAtta) in combinatie met een voedingsadvies had een significant effect op de eetlust, gewicht (hierbij geen significante vermeld), energie inname en kwaliteit van leven in vergelijking met een alleen een voedingsadvies bij vrouwen met kanker in de palliatieve fase en cachexie [Kapoor 2017].
  • Een oraal hoogcalorisch voedingssupplement (Medifood Miniwell OS) had een significant effect op anorexie, gewicht, energie inname. vetvrije massa en kwaliteit van leven in vergelijking met geen oraal voedingssupplement bij patiënten met gevorderde pancreas- of galwegkanker die behandeling met chemotherapie kregen [Kim 2019].
  • Bij een vergelijkende studie tussen een aminozuurhoudende gelei (Inner Power®) vs. een vloeibaar enteraal voedingssupplement (Ensure Liquid®) of de combinatie van beiden bij patiënten met terminale kanker werden geen statistische analyses vermeld met betrekking tot de verschillen [Ishiki 2015].

Van de genoemde voedingssupplementen is alleen het enteraal voedingssupplement uit de studie van Ishiki [2015] in Nederland verkrijgbaar. Hoewel de resultaten van de besproken RCT’s met betrekking tot het effect van voedingsadviezen en voedingssupplementen c.q. drinkvoeding niet eenduidig zijn, is de suggestie dat deze interventies invloed hebben op gewicht en kwaliteit van leven bij patiënten met kanker, die behandeld worden met chemotherapie. Over het effect bij patiënten die andere vormen van of geen systemische therapie krijgen kan geen uitspraak worden gedaan. Het effect op overleving is niet aangetoond. 

Sondevoeding

Zowel het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) als het huidige literatuuronderzoek leverden geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot sondevoeding bij patiënten met kanker in de palliatieve fase. De aanbeveling hierover is dus gebaseerd op richtlijnen en expert opinion.

Parenterale voeding

Het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot parenterale voeding bij patiënten met kanker in de palliatieve fase. 
Het huidige literatuuronderzoek leverde 3 RCT’s op:

  • In de RCT van Bouleuc [2020] had parenterale voeding geen significant effect op het gewicht, de eetlust, de kwaliteit van leven, een tijdelijk effect op de BMI, vetvrije massa (index) en overleving en een negatief effect op de performance status en bijwerkingen in vergelijking met orale voeding bij patiënten met gevorderde kanker en malnutritie [Bouleuc 2020].
  • Parenterale voeding thuis in combinatie met een voedingsadvies had een tijdelijk significant effect op de BMI, vetvrije massa (index) en kwaliteit van leven, maar niet op energie inname of overleving in vergelijking met alleen een voedingsadvies bij patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde gastro-intestinale kanker en een risico op ondervoeding [Obling 2019].  
  • In de RCT van Oh [2014] had parenterale voeding een significant effect op de energie inname, maar niet op de overleving in vergelijking met intraveneus vocht bij patiënten met terminale kanker.

Er is dus geen duidelijke onderbouwing op basis van onderzoek voor de toepassing van parenterale voeding bij patiënten met kanker in de palliatieve fase. Er zijn geen RCT’s gevonden naar het effect van parenterale voeding bij een ileus. In de klinische praktijk is dit de belangrijkste reden voor het inzetten van parenterale voeding.
Een Cochrane analyse [Sowerbutts 2018] vond 13 observationele studies over parenterale voeding bij in totaal 721 patiënten met kanker met een ileus. De mediane overleving bedroeg 15 tot 155 dagen. Het effect van parenterale voeding op kwaliteit van leven was niet te beoordelen. Een andere systematische review bij 12 studies met in totaal 437 patiënten met kanker met een ileus, die parenterale voeding kregen liet een mediane overleving zien van 83 dagen; de overleving na 3, 6 en 12 maanden bedroeg resp. 45%, 24% en 2%. De prognose van patiënten met kanker met een ileus in de palliatieve fase, die parenterale voeding krijgen is dus slecht. Toch zijn er patiënten (24%) met een lange (>6 maanden) overleving.

Voedingsadviezen en voedingssupplementen

Het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) leverde één gerandomiseerde studie op met betrekking tot voedingsadviezen bij patiënten met gevorderde COPD. Weekes [2008] vergeleek een voedingsadvies met schriftelijke informatie bij patiënten met stabiele COPD. Een voedingsadvies leidde tot een significant hoger gewicht en significant meer energie inname.
Het huidige literatuuronderzoek vond 2 RCT’s bij patiënten met gevorderde COPD die een significant effect lieten zien van een voedingsadvies in combinatie met een voedingssupplement en longrevalidatie op gewicht, BMI en vetvrije massa index, maar niet op kwaliteit van leven, in vergelijking met longrevalidatie alleen [Gurgun 2013, Mogelberg 2022]. 
Het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) leverde drie systematische reviews op met betrekking tot voedingssupplementen bij patiënten met gevorderde COPD, waarin meerdere RCT’s werden besproken [Collins 2012 en 2013, Ferreira 2012]. Daarbij werden positieve effecten gevonden van voedingssupplementen op het gewicht, de vetmassa en vetvrije massa, de handknijpkracht, de ademhalingsspierkracht, de functionele capaciteit en de kwaliteit van leven van patiënten met COPD.
Een recente RCT van Conway [2024] suggereert dat het toevoegen van een oraal voedingssupplement aan een geïndividualiseerd voedingsadvies geen significant effect heeft op het gewicht van patiënten met COPD en malnutritie in vergelijking met alleen een geïndividualiseerd voedingsadvies.
Hoewel de resultaten niet geheel eenduidig zijn suggereren onderzoeksgegevens een effect van voedingsadviezen en voedingssupplementen op gewicht, energie inname en kwaliteit van leven bij COPD. 

Zowel het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) als het huidige literatuuronderzoek leverden geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot voedingsadviezen of voedingssupplementen bij patiënten met gevorderde stadia van hartfalen.

Zowel het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) als het huidige literatuuronderzoek leverden geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot voedingsadviezen bij patiënten met gevorderde stadia van ALS
Het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot voedingssupplementen bij patiënten met ALS.
Voor ALS werden bij het recente literatuuronderzoek drie RCTs gevonden met betrekking tot het effect van voedingssupplementen bij ALS:

  • Een hoogcalorisch voedingssupplement met hoog vetgehalte had een significant effect op vetmassa, maar niet op het gewicht, de spiermassa en bijwerkingen in vergelijking met een hoogcalorisch voedingssupplement met hoog koolhydraatgehalte bij patiënten met ALS en gewichtsverlies [Dorst 2013].
  • Een hoogcalorisch vetsupplement had geen significant effect op de eetlust, de BMI, bijwerkingen, kwaliteit van leven en overleving in vergelijking met placebo bij patiënten met ALS [Ludolph 2020].
  • Wang [2022] vergeleek een hoogcalorisch voedingssupplement toegediend via een gastrostomiekatheter met een standaard conventioneel dieet, eveneens toegediend via een gastrostomiekatheter [Wang 2022]. Het voedingssupplement had geen significant invloed op gewicht en BMI, maar wel op de overleving. 

Het effect van voedingsadviezen en voedingssupplementen is dus niet aangetoond bij ALS. 

Sondevoeding

Het eerdere literatuuronderzoek leverde 1 RCT op die het effect van kortdurende (16 dagen) sondevoeding vergeleek met sondevoeding met 1000 kCaL vergeleek met sondevoeding met 100 kcal bij 10 patiënten met COPD en ondervoeding [Whittaker 1990]. Sondevoeding met 1000 kcal had een significante invloed op het gewicht.
Het recente literatuuronderzoek leverde geen aanvullende RCT’s op.

Het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) leverden geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot sondevoeding bij patiënten met gevorderde stadia van hartfalen of met ALS.

Parenterale voeding

Zowel het eerdere literatuuronderzoek van de vorige versie van de richtlijn Anorexie en gewichtsverlies (tot 2012) als het huidige literatuuronderzoek leverden geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot parenterale voeding bij patiënten met gevorderde stadia van COPD of hartfalen of met ALS.

Kwaliteit van het bewijs
Iets minder dan de helft van de conclusies werd gegradeerd als redelijk (6x), redelijk tot laag (1x) of laag (8x), iets meer dan de helft als zeer laag (17x). Er waren geen evidente verschillen in kwaliteit tussen studies bij verschillende aandoeningen of tussen studies bij verschillende interventies.

Beschikbare middelen (kosten)
Een energie- en/of eiwitverrijkt dieet is duurder dan goede voeding op basis van richtlijnen. Dieetkosten kunnen worden afgetrokken van de belasting. Drinkvoeding brengt ook extra kosten met zich mee. De patiënt krijgt de kosten volledig vergoed via de basisverzekering als er sprake is van ondervoeding. Hierbij moet rekening gehouden worden met het eigen risico. Intramuraal worden de kosten vergoed vanuit het budget van de zorginstelling. Het is belangrijk om niet te veel drinkvoeding in één keer voor te schrijven om verspilling te voorkomen.
Sondevoeding en parenterale voeding brengen (zeer) hoge kosten met zich mee. De kosten hebben betrekking op de voeding zelf, de benodigde materialen, laboratoriumonderzoek (bij parenterale voeding) en personele inzet. Deze worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Hierbij moet rekening gehouden worden met het eigen risico. Intramuraal worden de kosten vergoed vanuit het budget de zorginstelling.
Een consult van een diëtist brengt eveneens extra kosten met zich mee. Intramuraal zit de diëtist vaak in een DBC of in de ZZP. In de eerste lijn worden er 3 uren per kalenderjaar vanuit de basisverzekering vergoed (rekening houdend met het eigen risico) en eventueel extra vanuit de aanvullende verzekering.
Er zijn nauwelijks studies over de kosteneffectiviteit van voedingsinterventies in de palliatieve fase. Een Engelse systematische review van 12 studies bij 437 patiënten berekende een incremental cost effectiveness ratio (ICER) van £176,587 per quality adjusted life year (QALY) voor parenterale voeding bij een ileus.
Bij de kosten van voedingsinterventies moet wel worden meegenomen dat voedingsinterventies vermoedelijk leiden tot minder zorg en minder ziekenhuisopnames vanwege complicaties van ondervoeding en daarmee naar alle waarschijnlijkheid ook kosten besparen. Twee Nederlandse kosten-batenanalyses suggereren dat behandeling van ondervoeding op termijn leidt tot kostenbesparing [Kok, 2014, Nuiten 2024]. Voor iedere euro die wordt gestoken in de behandeling van een ondervoed persoon krijgt de maatschappij € 1,90 tot € 4,20 terug. Deze studies hadden niet primair betrekking op patiënten in de palliatieve fase.

Aanvaardbaarheid
Het streven naar handhaving of verbetering van de voedingstoestand in de palliatieve fase kan druk voor patiënt en naasten met zich meebrengen op voldoende inname van voeding (‘je moet eten, anders ga je dood’). Dit kan ook leiden tot frustratie en conflicten bij patiënten en naasten (zie ook de module Psychosociale begeleiding).
Bij comfortvoeding valt deze druk weg. Dat kan soms ook een opluchting zijn.

Het voordeel van drinkvoeding is de eenvoudige dosering en wijze van inname. Nadelen zijn de snelle verzadiging en de aversie die vooral bij patiënten met anorexie, smaakveranderingen en slikproblemen gemakkelijk op kunnen treden, waardoor deze patiënten de drinkvoeding vaak niet meer volledig naar binnen krijgen. Dit kan beperkt worden door een goede verdeling van de drinkvoeding over de dag en inname tussen de maaltijden. Het gebruik van drinkvoeding impliceert ook dat de patiënt minder eet bij de maaltijden.

Bezwaren en complicaties van sondevoeding zijn de noodzaak voor een neussonde of PEG-katheter (met kans op obstructie of dislocatie) of gastro- of jejunostomie, betrokkenheid van professionals voor de toediening, diarree, aspiratie en de kosten ervan (van de voeding zelf, van de benodigde materialen en van personele inzet). Soms lukt het niet om de benodigde sondevoeding naar binnen te krijgen. Snelle verzadiging kan daarbij een belangrijke beperkende factor zijn.
Een goede verantwoording van de keuze om met sondevoeding te starten of juist daarvan af te zien, is belangrijk voor patiënt, naasten en hulpverleners. Dit geldt met name bij de patiënt in de palliatieve fase. De oorzaak van het gewichtsverlies en de levensverwachting spelen een belangrijke rol bij deze keuze, evenals de wens van de patiënt. Sondevoeding wordt alleen toegepast als handhaving of verbetering van de voedingstoestand wordt nagestreefd. De beslissing om te starten met sondevoeding moet zeer zorgvuldig worden genomen, gelet op de beperkte effectiviteit en de belasting van de behandeling en de afhankelijkheid van hulpverleners die sondevoeding met zich meebrengt. Het starten met sondevoeding is een medische handeling. Een wens van de patiënt om daarmee te starten is een voorwaarde, maar wordt alleen ingewilligd als deze behandeling onder de gegeven omstandigheden medisch zinvol wordt geacht. Hierbij is de verwachte invloed op de kwaliteit van leven een primaire overweging. Daarbij moet ook bedacht worden dat het staken van eenmaal gestarte sondevoeding een problematisch proces is. Het is belangrijk om (vaak al bij de start) te bespreken wanneer de sondevoeding weer gestaakt wordt. Sondevoeding hoeft niet te worden afgebouwd en kan dus onmiddellijk worden gestaakt.

Bezwaren en complicaties van parenterale voeding zijn de noodzaak voor een centrale lijn (met kans op complicaties daarvan zoals occlusie, trombose en infectie), betrokkenheid van professionals voor de toediening, overvulling, elektrolytstoornissen, leverproefstoornissen en kosten (van de voeding zelf, van de benodigde materialen, van laboratoriumonderzoek en van personele inzet).
Onderzoek bij 29 patiënten met kanker in de palliatieve fase die thuis werden behandeld met totale parenterale voeding liet zien dat 19 patiënten en hun naasten de belasting van de parenterale voeding zeer aanvaardbaar vond, zeven vonden het belastend en drie vonden het nauwelijks te verdragen [Pironi 1997].
Orreval interviewde 13 patiënten met een vergevorderd stadium van kanker, die behandeld werden met totale parenterale voeding thuis en 11 naasten [Orreval 2005]. In de interviews kwam naar voren dat patiënten en naasten aangaven dat de voeding een positieve invloed had op hun kwaliteit van leven, energieniveau, kracht en lichamelijk activiteit. De voeding leidde wel tot beperkingen in het gezinsleven en sociale contacten. De positieve invloeden wogen zwaarder dan de negatieve.
Een recente studie bij 17 vrouwen met ovariumcarcinoom die thuis behandeld werden met parenterale voeding en hun naasten liet zien dat parenterale voeding werd gezien als een levenslijn, maar ook dat het veel inbreuk had op het dagelijks leven thuis en belastend was voor de naasten [Sowerbutts 2019].
Parenterale voeding wordt slechts bij hoge uitzondering toegepast in de palliatieve zorg, met name bij een ileus (zie richtlijn Ileus in de palliatieve fase). Parenterale voeding is een medische handeling. Een wens van de patiënt om daarmee te starten is een voorwaarde, maar wordt alleen ingewilligd als deze behandeling onder de gegeven omstandigheden medisch zinvol wordt geacht, waarbij de verwachte invloed op de kwaliteit van leven de primaire overweging is en afgewogen moet worden tegen de bezwaren en mogelijke bijwerkingen. Bij het starten van deze behandeling is het noodzakelijk om duidelijke doelen en stopcriteria af te spreken en dit te communiceren naar de huisarts. 

Haalbaarheid
Diëtisten zijn zowel in de eerste als tweede lijn beschikbaar voor consultatie.
Drinkvoeding is breed beschikbaar.
Sondevoeding en parenterale voeding zijn thuis meestal wel mogelijk, maar vragen veel medische en verpleegkundige ondersteuning. 

Voedingsadviezen en voedingssupplementen

Hoewel de resultaten van de besproken RCT’s met betrekking tot het effect van voedingsadviezen en voedingssupplementen of drinkvoeding niet eenduidig zijn, is de suggestie dat deze interventies invloed hebben op gewicht en kwaliteit van leven bij patiënten met kanker, die behandeld worden met chemotherapie. Over het effect bij patiënten die andere vormen van of geen systemische therapie krijgen kan geen uitspraak worden gedaan. Het effect op overleving is niet aangetoond. 
De eerder besproken richtlijnen adviseren een energie- en eiwitverrijkt dieet, al dan niet in combinatie met een voedingssupplement bij patiënten met kanker met gewichtsverlies en/of een verminderde inname van voedsel die behandeld worden met systemische therapie (waarbij vaak geen onderscheid gemaakt wordt tussen in opzet curatieve en palliatieve systemische therapie) en/of een levensverwachting hebben >3 maanden. Bij inzet van voedingssupplementen gaat het vrijwel altijd om drinkvoeding.
De werkgroep sluit zich aan bij dit advies. Een verwijzing naar een diëtist is hierbij vaak aangewezen, zeker als er sprake is van ondervoeding en wanneer een voedingssupplement of drinkvoeding wordt overwogen.

Sondevoeding

Het literatuuronderzoek leverde geen relevante resultaten op.
De werkgroep is, mede op basis van de aanbevelingen in andere richtlijnen, van mening dat sondevoeding aangewezen is bij patiënten met kanker in de palliatieve fase als orale inname niet mogelijk is (ten gevolge van obstructie, motiliteitsstoornissen of mucositis in keel, slokdarm of maag) of onvoldoende is om de behoefte aan nutriënten te dekken. In die situaties heeft sondevoeding de voorkeur boven parenterale voeding. Voorwaarde is een functioneel darmstelsel.
Sondevoeding wordt niet aangeraden als inflammatie op de voorgrond staat en ziektegerichte behandeling niet (meer) mogelijk is en/of bij een levensverwachting van enkele maanden of korter.

Parenterale voeding

Er is geen onderbouwing voor parenterale voeding bij patiënten met kanker in de palliatieve fase op basis van gerandomiseerd onderzoek. 
De richtlijnen zijn enerzijds (zeer) terughoudend met betrekking tot parenterale voeding in deze situatie maar geven anderzijds aan dat er wel degelijk situaties zijn wanneer parenterale voeding kan worden toegepast, met name bij patiënten met een ileus, short bowel syndroom of resorptiestoornissen, wanneer de levensverwachting veel meer bepaald wordt door de ondervoeding dan door de onderliggende ziekte.
De werkgroep is van mening dat er een (beperkte) plaats is voor parenterale voeding bij een ileus bij patiënten met kanker in de palliatieve fase in specifieke situaties, hoofdzakelijk bij een ileus. Het is belangrijk om bij de indicatiestelling voor parenterale voeding een goede selectie te maken. Zie hiervoor de richtlijn Ileus in de palliatieve fase. Short bowel syndroom en chronische malabsorptie zijn niet of nauwelijks relevant voor patiënten met kanker in de palliatieve fase.

Voedingsadviezen en voedingssupplementen

Onderzoek suggereert effect van voedingsadviezen en voedingssupplementen op gewicht, energie inname en kwaliteit van leven bij COPD.
De richtlijn van Anker [2006] adviseerde op basis van zeer beperkte evidentie het gebruik van voedingssupplementen in combinatie met bewegingsinterventies en farmacologische behandeling. Een veel recentere Engelse richtlijn van 2023, Managing Malnutrition: COPD, adviseert een energie- en eitwitverrijkt dieet en, als er sprake is van ondervoeding, ook het gebruik van voedingssupplementen bij COPD [Multi professional consensus panel 2023].
De werkgroep is van mening dat een energie- en eiwitverrijkt dieet (al dan niet in combinatie met drinkvoeding) aangewezen is bij patiënten met een gevorderd stadium van COPD met gewichtsverlies of een verminderde inname van voedsel, mits inflammatie niet op de voorgrond staat en de levensverwachting langer dan enkele maanden is.

Sondevoeding

Het literatuuronderzoek leverde één oudere RCT op, die een effect suggereerde van sondevoeding op het gewicht bij patiënten met COPD.
De richtlijn van Anker [2006], de recente Engelse richtlijn, Managing Malnutrition: COPD [Multi professional consensus panel 2023], en de richtlijn Ondervoeding [Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding (2019)] geven geen adviezen over sondevoeding bij COPD. In de richtlijn van ESPEN [Bishoff 2022] wordt COPD kort genoemd bij de indicaties voor sondevoeding thuis.
De werkgroep is van mening dat sondevoeding niet gegeven moet worden bij patiënten met een gevorderd stadium van COPD met gewichtsverlies omdat het aannemelijk is dat in die situatie inflammatie op de voorgrond staat en dus van sondevoeding weinig of geen effect verwacht mag worden.

Parenterale voeding

Het literatuuronderzoek leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot het effect van parenterale voeding bij COPD.
De werkgroep ziet geen indicatie voor parenterale voeding bij COPD.

Voedingsadviezen en voedingssupplementen

Het literatuuronderzoek leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot het effect van voedingsadviezen en voedingssupplementen bij hartfalen.
De richtlijn van Anker [2006] adviseerde ondanks het gebrek aan onderzoek een energie- en eiwitverrijkt dieet en voedingssupplementen vanuit de aanname dat, als het effect heeft bij andere niet-oncologische aandoeningen (met name COPD), het aannemelijk is dat het ook effect heeft bij hartfalen. Er zijn geen recente richtlijnen over hartfalen waarin aanbevelingen worden gedaan over de behandeling van ondervoeding en cachexie bij hartfalen
Een recente consensusverklaring benadrukte het belang van tijdige verwijzing naar een diëtist en van eiwitrijk dieet [Vest 2019].
In navolging van de richtlijn van Anker [2006) doet de werkgroep doet een soortgelijke aanbeveling over energie- en eiwitverrijkt dieet al dan niet in combinatie met drinkvoeding bij hartfalen als bij COPD.

Sondevoeding

Het literatuuronderzoek leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot het effect van sondevoeding bij hartfalen.
De richtlijnen van ESPEN [Anker 2006, Bishoff 2022] en de Richtlijn Ondervoeding [Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding (2019] geven geen adviezen over sondevoeding bij hartfalen.
De werkgroep is van mening (naar analogie met de situatie bij COPD) dat sondevoeding niet gegeven moet worden bij patiënten met een gevorderd stadium van hartfalen met gewichtsverlies omdat het aannemelijk is dat in die situatie inflammatie op de voorgrond staat en dus van sondevoeding weinig of geen effect verwacht mag worden.

Parenterale voeding

Het literatuuronderzoek leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot het effect van parenterale voeding bij hartfalen.
De werkgroep ziet geen indicatie voor parenterale voeding bij hartfalen.

Patiënten met ALS vallen primair af door verminderde inname van nutriënten als gevolg van slikstoornissen; er is dus sprake van ondervoeding door hongeren.

Voedingsadviezen en voedingssupplementen

Het effect van voedingsadviezen en voedingssupplementen bij ALS is niet aangetoond op basis van gerandomiseerd onderzoek.
In de systematische review van De Carvalho Vilar [2025] worden de volgende aanbevelingen gedaan:

  • om de drie maanden een beoordeling van de voedingstoestand door een diëtist;
  • bij gewichtsverlies of verminderde inname van voedsel: energieverrijkt (25-30 kcal/kg/dag) dieet, evt. aangevuld met voedingssupplementen;
  • gebruik van gepureerd voedsel met weinig vezels;
  • geen specifieke aanbeveling met betrekking tot eiwitgehalte van de voeding;
  • begeleiding door een logopedist in geval van slikstoornissen.

De werkgroep is van mening dat een energie- en eiwitverrijkt dieet al dan niet in combinatie met het gebruik van drinkvoeding aangewezen is bij patiënten met ALS met gewichtsverlies of een verminderde inname van voedsel en de levensverwachting langer dan enkele maanden is. Als de slikfunctie afneemt, worden plaatsing van een PEG-katheter en sondevoeding overwogen (zie verder).

Sondevoeding

Het literatuuronderzoek leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot het effect van sondevoeding bij ALS.
Met betrekking tot ALS wordt sondevoeding geadviseerd als de orale inname ondanks de eerdergenoemde maatregelen onvoldoende is om de behoefte te dekken [De Carvalho Vilar 2025]; deze situatie zal zich met name voordoen bij slikstoornissen en gewichtsverlies. De werkgroep acht het aannemelijk (maar niet aangetoond) dat sondevoeding in deze situatie de kwaliteit van leven verhoogt en het leven verlengt. Patiënten kunnen er echter voor kiezen om af te zien van sondevoeding omdat dit het lijden verlengt. Een PEG/PRG-katheter wordt tijdig ingebracht, voordat de bij longfunctieonderzoek de vitale capaciteit < 50% is.

Parenterale voeding

Het literatuuronderzoek leverde geen gerandomiseerde studies op met betrekking tot het effect van parenterale voeding bij ALS.
De werkgroep ziet geen indicatie voor parenterale voeding bij ALS.

Abu-Rustum NR, Barakat RR, Venkatraman E et al. Chemotherapy and total parenteral nutrition for advanced ovarian cancer with bowel obstruction. Gynec Oncol 1997; 64: 493-495.

Aguilaniui B, Goldstein-Shapses S, Pajon A et al. Muscle protein degradation in severely malnourished patients with chronic obstructive pulmonary disease subject to short-term total parenteral nutrition. JPN 1992; 16: 248-254.

Akrabawi SS, Morbarhan S, Stolz RR et al. Gastric emptying, pulmonary function, gas exchange and respiratory quotient after feeding a moderate versus high fat enteral formula in chronic obstructive pulmonary disease patients. Nutrition 1996; 12: 260-265.

Anker SD, John M, Pedersen PU et al. ESPEN guidelines on enteral nutrition: cardiology and pulmonology. Clin Nutr 2006; 25: 311-318.

Anker SD, Leviano A, Filippatos G et al. ESPEN guidelines on parenteral nutrition:cardiology and pulmonology. Clin Nutr 2009; 28: 455-460.

Arends J, Bodoky G, Bozzetti F et al. ESPEN guidelines on enteral nutrition: non-surgical oncology. Clinical Nutrition 2006; 25: 245-259.

Arends J, Strasser F, Gonella S, Solheim TS, Madeddu C, Ravasco P, Buonaccorso L, de van der Schueren MAE, Baldwin C, Chasen M, Ripamonti CI; ESMO Guidelines Committee. Electronic address: clinicalguidelines@esmo.org. Cancer cachexia in adult patients: ESMO Clinical Practice Guidelines. ESMO Open. 2021 Jun;6(3):100092.

Arutiunov GP, Kostiukevich OI, Rylova NV et al. Effect of enteral feeding on exercise tolerance and clinical picture in patients with NYHA class III-IV chronic heart failure. Kardiologiia 2003; 43: 52-55.

August DA, Thorn D, Fisher RL et al. Home parenteral nutrition for patients with inoperable malignant bowel obstruction. JPEN J Parenter Enteral Nutr 1991; 15: 323-327.

August DA, Huhmann MB. A.S.P.E.N. clinical guidelines: nutrition support therapy during adult anticancer treatment and in hematopoietic cell transplantation. J Parent Enteral Nutr 2009; 33: 472-500.

Bachmann P, Marti-Massoud C, Blanc-Vincent MP et al. Summary version of the standards, options and recommendations for palliative or terminal nutrition in adults with progressive cancer (2001). Br J Cancer 2003; 89 (Suppl. 1): S107-110.

Baguley, BJ, et al., Systematic review of nutrition interventions in older patients with cancer: A synthesis of evidence and a future research priority. Journal of Geriatric Oncology, 2025. 16(2): p. 102181. 

Baguley, BJ, T.L. Skinner, and O.R.L. Wright, Nutrition therapy for the management of cancer-related fatigue and quality of life: A systematic review and meta-analysis. British Journal of Nutrition, 2019. 122(5): p. 527-541. 

Baldwin C, Spiro A, McGough C, et al. The NUT-study: the effect of dietetic and oral nutritional interventions on survival and quality of life in patients with weight loss undergoing palliative chemotherapy for gastrointestinal or lung malignancy, a randomised controlled trial. Proc Nutr Soc 2008; 67(OCE3); E316.

Baldwin C, Spiro A, McGough C et al. Simple nutritional intervention in patients with advanced cancers of the gastrointestinal tract, non-small cell lung cancers or mesothelioma and weight loss receiving chemotherapy: a randomised controlled trial. J Human Nutr Dietetics 2011; 24: 431-440 (2011).

Baldwin C, Spiro A, Ahern R et al. Oral nutritional interventions in malnourished patients with cancer: a systematic review and meta-analysis. J Natl Cancer Inst 2012; 104: 371-385

Baldwin, C., et al. Dietary advice with or without oral nutritional supplements for disease‐related malnutrition in adults. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2021. DOI: 10.1002/14651858.CD002008.pub5. 

Baldwin, C., et al., Oral nutritional interventions in malnourished patients with cancer: a systematic review and meta-analysis. Journal of the National Cancer Institute, 2012. 104(5): p. 371-85. 

Balstad, TR, et al., Dietary treatment of weight loss in patients with advanced cancer and cachexia: a systematic literature review. Critical Reviews in Oncology-Hematology, 2014. 91(2): p. 210-21. 

Bianchi, VE, Nutrition in chronic heart failure patients: a systematic review. Heart Failure Reviews, 2020. 25(6): p. 1017-1026. 

Bischoff SC, Austin P, Boeykens K, Chourdakis M, Cuerda C, Jonkers-Schuitema C, Lichota M, Nyulasi I, Schneider SM, Stanga Z, Pironi L. ESPEN practical guideline: Home enteral nutrition. Clin Nutr. 2022 Feb;41(2):468-488. 

Blackwood, HA, et al., A systematic review examining nutrition support interventions in patients with incurable cancer. Supportive Care in Cancer, 2020. 28(4): p. 1877-1889. 

Bossola M, Pacelli F, Rosa F et al. Does nutrition support stimulate tumor growth in humans? NutrClinParct 2011; 26: 174-180.

Bouleuc, C, et al., Impact on Health-Related Quality of Life of Parenteral Nutrition for Patients with Advanced Cancer Cachexia: Results from a Randomized Controlled Trial. Oncologist, 2020. 25(5): p. e843-e851. 

Boyd KJ, Beeken L. Tube feeding in palliative care: benefits and problems. Palliative Medicine 1994; 8: 156-158.

Bozzetti F, Cozzaglio L, Biganzoli E, Chiavenna G, De Cicco M, Donati D, et al. Quality of life and length of survival in advanced cancer patients on home parenteral nutrition. Clin Nutr 2002; 21: 281–8.

Bozzetti F. Home total parenteral nutrition in incurable cancer patients: a therapy, a basic human care or something in between? Clinical Nutrition 2003; 22: 109-111.

Bozzetti F, Mori V. Nutritional support and tumor growth in humans: a narrative review of the literature. Clinical Nutrition 2009; 28: 226-230.

Bozzetti F, Arends J, Lundholm K et al. ESPEN guidelines on parenteral nutrition: non-surgical oncology. Clin Nutr 2009; 28: 445-454.

Bozzetti F. Nutritional support of the oncology patient. Clin Rev Oncol Hematol 2013; 87: 173-200.

Braha, A, et al., Nutritional Interventions to Improve Cachexia Outcomes in Cancer-A Systematic Review. Medicina, 2022. 58(7): p. 21. 

Brard L, Weitzen S, Strubel-Lagan SL et al. The effect of total parenteral nutrition on the survival of terminally ill ovarian cancer patients. Gynec Oncol 2006; 103: 176-180.

Broekhuizen R, Creutzberg EC, Weling-Scheepers CA et al. Optimizing oral nutritional drink supplementation in patients with chronic obstructive pulmonary disease. BJN 2005; 93: 965-971.

Brown SE, Nagendran RC, McHugh JW et al. Effects of a large carbohydrate load on walking performance in chronic air-flow obstruction. Am Rev Respir Dis 1985; 132: 960-962.
Canada T. Clinical dilemma in cancer: is tumor growth during nutrition support significant? Nutrition in Clinical Practice 2002; 17: 246-248. 

Burgos R, Bretón I, Cereda E, Desport JC, Dziewas R, Genton L, Gomes F, Jésus P, Leischker A, Muscaritoli M, Poulia KA, Preiser JC, Van der Marck M, Wirth R, Singer P, Bischoff SC. ESPEN guideline clinical nutrition in neurology. Clin Nutr. 2018 Feb;37(1):354-396.

Canadian Agency for Drugs and Technologies in Health. Nutritional Supplementation for Patients with Cancer: A Review of the Clinical Effectiveness and Guidelines. CADTH Rapid Response Reports, 2014. 02: p. 12. 

Caro MM, Laviano A, Pichard C. Nutritional intervention and quality of life in adult oncology patients. Clinical Nutrition 2007; 26: 26: 289-301 (2007a).

Caro MM, Laviano A, Pichard C. Impact of nutrition on quality of life during cancer. Curr Opin Clin Nutrition Met Care 2007; 10: 480-487 (2007b).

Cereda, E.; Turri, A.; Klersy, C.; Cappello, S.; Ferrari, A.; Filippi, A.R.; Brugnatelli, S.; Caraccia, M; Chiellino, S; Borioli, V; et al. Whey protein isolate supplementation improves body composition, muscle strength, and treatment tolerance in malnourished advanced cancer patients undergoing chemotherapy. Cancer Med. 2019, 8, 6923–6932 

Chermesh I, Mashiach T, Amit A et al. Home parenteral nutrition for incurable patients with cancer with gastrointestinal obstruction: do the benefits outweigh the risks? Med Oncol 2011; 28: 83-88.

Chewaskulyong, B, et al. Dietary Counseling Outcomes in Patients with Lung Cancer in an Upper-Middle-Income Country: an Open-Label Randomized Controlled Trial. Journal of clinical medicine, 2024. 13, DOI: 10.3390/jcm13175236. 

Chio A, Finocchiaro E, Meineri P et al. Safety and factors related to survival after percutaneous gastrostomy in ALS. Neurology 1999; 53: 1123-1125.

Chow, R, et al., Enteral and parenteral nutrition in cancer patients: a systematic review and meta-analysis. Annals of Palliative Medicine, 2016. 5(1): p. 30-41. 

Cintoni, M, et al., Nutritional Interventions during Chemotherapy for Pancreatic Cancer: A Systematic Review of Prospective Studies. Nutrients, 2023. 15(3): p. 01. 

Collins PF, Stratton RJ, Elia M. Nutritional support in chronic obstructive pulmonary disease: a systematic review and meta-analysis. Am J Clin Nutr 2012;95:1385-95. 

Collins PF, Elia M, Stratton RJ. Nutritional support and functional capacity in chronic obstructive pulmonary disease: a systematic review and meta-analysis. Respirology 2013; 18: 616-629.

Constantina, C, et al., Nonpharmacological Management of Cancer-Related Cachexia: A Systematic Review. Seminars in Oncology Nursing, 2025. 41(1): p. 151803. 

Conway, V, et al., Nutritional Support in Malnourished Outpatients with Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD): A Randomized Controlled Pilot Study. Nutrients, 2024. 16(11): p. 30. 

Cotogni, P, et al., High-protein home parenteral nutrition in malnourished oncology patients: a systematic literature review. Supportive Care in Cancer, 2023. 32(1): p. 52. 

Cozzaglio L, Balzola F, Cosentino F et al. Outcome of cancer patients receiving home parenteral nutrition. Italian Society of Parenteral and Enteral Nutrition. JPEN J Parenter Enteral Nutr 1997; 21: 339-342.

Creutzberg EC, Wouters EFM, Mostert R et al. Efficacy of nutritional supplementation therapy in depleted patients with chronic obstructive pulmonary disease. Nutrition 2003; 19: 120-127.

Czaplinski A, Yen AA, Simpson EP et al. Slower disease progression and prolonged survival in contemporary patients with amyotrophic lateral sclerosis: is the natural history of amyotrophic lateral sclerosis changing? Arch Neur 2006; 63: 1139-1143.

De Carvalho Vilar MD, Coutinho KMD, de Lima Vale SH, Dourado Junior MET, de Medeiros GCBS, Piuvezam G, Brandao-Neto J, Leite-Lais L. Evidence-Based Nutritional Recommendations for Maintaining or Restoring Nutritional Status in Patients with Amyotrophic Lateral Sclerosis: A Systematic Review. Nutrients. 2025 Feb 24;17(5):782.

Del Fabbro E, Hui D, Dalal S, Dev R, Nooruddin ZI, Noorhuddin Z, Bruera E. Clinical outcomes and contributors to weight loss in a cancer cachexia clinic. J Palliat Med 2011; 14: 1004-8.

Desport JC, Preux PM, Truong CT et al. Nutritional assessment and survival in ALS patients. Amyotroph Lateral Scler Other Motor Neuron Dis 2000; 1: 91-96.

Dewar SL, Porter J. The effect of evidence-based nutrition clinical care pathways on nutrition outcomes in adult patients receiving non-surgical cancer treatment: a systematic review. Nutr Cancer. 2018;70(3):404–412 

Dobrila-Dintinjana RD, Trivanovic D, Zelic M. Nutritional support in patients with colorectal cancer during chemotherapy: dose it work?. Hepatogastroenterology 2012; 60: Oct 29;60(123). doi: 10.5754/hge12710. [Epub ahead of print]

Dorst, J., J. Cypionka, and A.C. Ludolph, High-caloric food supplements in the treatment of amyotrophic lateral sclerosis: a prospective interventional study. Amyotrophic Lateral sclerosis & Frontotemporal Degeneration, 2013. 14(7-8): p. 533-6. 

Duerksen DR, Ting E, Thompson P et al. Is there a role for TPN in terminally ill patients with bowel obstruction? Nutrition 2004; 20: 760-763.

Efthimiou J, Mournsey PJ, Benson DN et al. Effect of carbohydrate rich versus fat rich loads on gas exchange and walking performance in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Thorax 1992; 47: 451-456.

Elia M, Bokhorst-van der Schueren MA, Garvey J et al. Enteral (oral or tube administration) nutritional support and eicosapentaenoic acid in patients with cancer: a systematic review. International Journal of Oncology 2006; 28: 5-23.

Emanuel, A., et al., Nutritional Interventions in Pancreatic Cancer: A Systematic Review. Cancers, 2022. 14(9). 

Essat, M., et al., Interventions to promote oral nutritional behaviors in people living with neurodegenerative disorders of the motor system: A systematic review. Clinical Nutrition, 2020. 39(8): p. 2547-2556. 

Evans WK, Nixon DW, Daly JM et al. A randomized study of oral nutritional support versus ad lib nutritional intake during chemotherapy for advanced colorectal and non-small cell lung cancer. J Clin Oncol 1987; 5: 113-124.

Ferreira IM, Brookes D, White J et al. Nutritional supplementation for stable chronic obstructive pulmonary disease. Cochrane Database Syst Rev 2012; CD000998.

Finocchiaro E, Rahimi F, Agnello E et al. Home parenteral nutrition in advanced cancer patients: a four-year multicenter prospective observational study. Nutr Ther Metab 2007; 25: 31-39.

Forbes RB, Collins S, Swingler RJ et al. Frequency, timing and outcome of gastrostomy tubes for amyotrophic lateral sclerosis/motor neuron disease – a record linkage study from the Scottish Motor Neuron Disease Register. J Neurol 2004; 251: 813-817.

Frankfort JD, Fischer CE, Stansbury DW et al. Effects of high- and low-carbohydrate meals on maximum exercise performance in chronic airflow obstruction. Chest 1991; 100: 792-795.

Furulund, E, et al., Effects of Nutritional Interventions in Individuals with Chronic Obstructive Lung Disease: A Systematic Review of Randomized Controlled Trials. International Journal of Copd, 2021. 16: p. 3145-3156. 

Gliwska, E, et al., Quality of Life of Cancer Patients Receiving Enteral Nutrition: A Systematic Review of Randomized Controlled Trials. Nutrients, 2021. 13(12): p. 19. 

Good P, Cavenagh J, Mather M et al. Medically assisted nutrition for palliative care in adult patients. Cochrane Database of Systematic Reviews 2008; 4: CD006274.

Gurgun, A, et al., Effects of nutritional supplementation combined with conventional pulmonary rehabilitation in muscle-wasted chronic obstructive pulmonary disease: a prospective, randomized and controlled study. Respirology, 2013. 18(3): p. 495-500. 

Habaybeh, D, et al., Nutritional interventions for heart failure patients who are malnourished or at risk of malnutrition or cachexia: a systematic review and meta-analysis. Heart Failure Reviews, 2021. 26(5): p. 1103-1118. 

Hamaker, ME, et al., Nutritional status and interventions for patients with cancer – A systematic review. Journal of Geriatric Oncology, 2021. 12(1): p. 6-21. 

Hoda D, Jatoi A, Burnes J et al. Should patients with advanced, incurable cancers ever be sent home with total parenteral nutrition? A single institution's 20-year experience. Cancer 2005; 103: 863-868.

IKNL. Richtlijn ondervoeding bij patiënten met kanker, versie 1.0, 2012. https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/ondervoeding_bij_patienten_met_kanker/ondervoeding_-_korte_beschrijving.html 

Ishiki, H, et al. Oral nutritional support can shorten the duration of parenteral hydration in end-of-life cancer patients: A randomized controlled trial. Nutrition and Cancer, 2015. 67(1): p. 105-111. 

Kiss N, Loeliger J, Findlay M, Isenring E, Baguley BJ, Boltong A, Butler A, Deftereos I, Eisenhuth M, Fraser SF, Fichera R, Griffin H, Hayes S, Jeffery E, Johnson C, Lomma C, van der Meij B, McIntyre C, Nicholls T, Pugliano L, Skinner T, Stewart J, Bauer J. Clinical Oncology Society of Australia: Position statement on cancer-related malnutrition and sarcopenia. Nutr Diet. 2020 Sep;77(4):416-425. doi: 10.1111/1747-0080.12631. Epub 2020 Aug 17. 

Kapoor, N, et al., A Prospective Randomized Controlled Trial to Study the Impact of a Nutrition-Sensitive Intervention on Adult Women With Cancer Cachexia Undergoing Palliative Care in India. Integrative Cancer Therapies, 2017. 16(1): p. 74-84. 

Kasarkis EJ, Scarlata D, Hill R et al. A retrospective study of percutaneous endoscopic gastrostomy in ALS patients during the BDNF and CNTF trials. J Neurol Sciences 1999; 169: 118-125.

Kasvis, P. and R.D. Kilgour, Diet and Exercise Interventions in Patients With Pancreatic Cancer: A Scoping Review. Pancreas, 2021. 50(5): p. 657-666. 

Katzberg HD, Benatar M. Enteral tube feeding for amyotrophic lateral sclerosis/motorneuron disease. Cochrane Database Syst Rev 2011; 1: CD004030.

Keogh, E. and E. Mark Williams, Managing malnutrition in COPD: A review. Respiratory Medicine, 2021. 176: p. 106248. 

Kim SH, Lee SM, Jeung HC, et al. The effect of nutrition intervention with oral nutritional supplements on pancreatic and bile duct cancer patients undergoing chemotherapy. Nutrients. 2019; 11: 1145 

King LA, Carson LF, Konstantinides N et al. Outcome assessment of home parenteral nutrition in patients with gynecologic malignancies: What have we learned in a decade of experience? Gynec Oncol 1993; 51: 377-382.

Kiss, NK, M Krishnasamy, and EA Isenring, The effect of nutrition intervention in lung cancer patients undergoing chemotherapy and/or radiotherapy: a systematic review. Nutrition & Cancer, 2014. 66(1): p. 47-56. 

Kok L, Scholte R. Ondervboeding onderschat. De kosten van ondervoeding en het rendement van medische voeding. SEO-rapport nr 2014-11, 2014

Landelijke Werkgroep Diëtisten Oncologie. Landelijke richtlijn algemene voedings- en dieetbehandeling, 2013. www.oncoline.nl/Voeding en Dieet/Algemeen

Langmore SE, Kasarkis EJ, Manca ML et al. Enteral tube feeding for amyotrophic lateral sclerosis/motor neuron disease. Cochrane Database Syst Rev 2006; 1: CD004030.

Lee, JLC, LP Leong, and SL Lim, Nutrition intervention approaches to reduce malnutrition in oncology patients: a systematic review. Supportive Care in Cancer, 2016. 24(1): p. 469-480. 

Leis, C, et al., Systematic Review of Nutrition Interventions to Improve Short Term Outcomes in Head and Neck Cancer Patients. Cancers, 2023. 15(3). 

Ludolph, AC, et al., Effect of High-Caloric Nutrition on Survival in Amyotrophic Lateral Sclerosis. Annals of Neurology, 2020. 87(2): p. 206-216. 

Lundholm K, Daneryd P, Bosaeus I, Korner U, Lindholm E. Palliative nutritional intervention in addition to cyclooxygenase and erythropoietin treatment for patients with malignant disease: Effects on survival, metabolism, and function. Cancer 2004;100:1967-1977.

Madhok BM, Yeluri S, Haigh K et al. Parenteral nutrition for patients with advanced ovarian malignancy. J Human Nutrit Diet 2011; 24: 187-191

Makitie, AA, et al., Managing Cachexia in Head and Neck Cancer: a Systematic Scoping Review. Advances in Therapy, 2022. 39(4): p. 1502-1523. 

Mannino, A, et al., The effects of enteral tube feeding on nutrition, survival, and quality of life outcomes in advanced upper gastrointestinal cancers: a systematic literature review. Supportive Care in Cancer, 2025. 33(3): p. 223Mazzini L, Corra T, Zaccala M et al. Percutaneous endoscopic gastrostomy and enteral nutrition in amyotrophic lateral sclerosis. J Neurol 1995; 242: 695-698.

McLuskie, A, et al., Nutritional interventions in randomized clinical trials for people with incurable solid cancer: A systematic review. Clinical Nutrition, 2025. 44: p. 201-219. 

Mensink PAJS, De Bont MAT, Remijnse-Meester TA, Kattemölle-van den Berg S, Liefaard AHB, Meijers JMM, Van Binsbergen JJ, Van WayenburgCAM, Vriezen JA. LESA ondervoeding) Huisarts Wet 2010;53(7):S7-10.

Mercadante S. Parenteral nutrition at home in advanced cancer patients. J Pain Symptom Manage 1995; 10: 476-480.

Miján-de-la-Torre A. Recent insights on chronic heart failure, cachexia and nutrition. Curr Opin Clin Metab Care 2009; 12: 251-257.

Miller RG, Jackson CE, Kasarkis EJ et al. Practice Parameter update: The care of the patient with amyotrophic lateral sclerosis: drug, nutritional and respiratory therapies (an evidence-based review): report of the Quality Standards Subcommittee of the American Academy of neurology. Neurology 2009; 73: 1218-1226.

Mirhosseini N, Fainsinger RL, Baracos V. Parenteral nutrition in advanced cancer: indications and clinical practice guidelines. Journal of Palliative Medicine 2005; 8: 914-918.

Mitchell JD, O’Brien MR, Joshi M. Audit of outcomes in motor neuron disease patients treated with riluzole. Amyotroph Lateral Scler 2006; 7: 67-71.2006

Mitsumoto H, Davidson M, Moore D et al. Percutaneous endoscopic gastrostomy in patients with ALS and bulbar dysfunction. Amyotroph Lateral Scler Other Motor Neuron Dis 2003; 4: 177-185.

Mogelberg, N, et al., High-protein diet during pulmonary rehabilitation in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Danish Medical Journal, 2022. 69(11): p. 11. 

Mohamad, H, et al., The effect of dietary and exercise interventions on body weight in prostate cancer patients: A systematic review. Nutrition and Cancer, 2015. 67(1): p. 43-60. 

Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding (2019). Herkenning, diagnosestelling en behandeling van ondervoeding bij volwassenen. (www.Richtlijn Anorexie Gewichtsverlies/Richtlijn-Ondervoeding-herkenning-diagnosestelling-en-behandeling-van-ondervoeding-bij-volwassenen-februari-2019)

Multi-professional consensus panel. Managing Malnutrition in COPD. 3rd ed. November/December 2023. Available from: https://www.malnutritionpathway.co.uk/copd 

Murphy M, Quinn S, Young J et al. Increasing incidence of ALS in Canterbury, New Zealand: a 22-year study. Neurology 2008; 71: 1889-1895.

Muscaritoli M, Molfino A, Laviano A et al. Parenteral nutrition in advanced cancer patients. Clin Rev Oncol/Hematol 2012; 84: 26-36.

Muscaritoli M, Arends J, Bachmann P, Baracos V, Barthelemy N, Bertz H, Bozzetti F, Hütterer E, Isenring E, Kaasa S, Krznaric Z, Laird B, Larsson M, Laviano A, Mühlebach S, Oldervoll L, Ravasco P, Solheim TS, Strasser F, de van der Schueren M, Preiser JC, Bischoff SC. ESPEN practical guideline: Clinical Nutrition in cancer. Clin Nutr. 2021 May;40(5):2898-2913.

Naghibi M, Smith TR, Elia M. A systematic review with meta-analysis of survival, quality of life and cost-effectiveness of home parenteral nutrition in patients with inoperable malignant bowel obstruction. Clin Nutr. 2015 Oct;34(5):825-37.

Neuzillet C, Anota A, Foucaut AM, Védie AL, Antoun S, Barnoud D, Bouleuc C, Chorin F, Cottet V, Fontaine E, Garabige V, Hébuterne X, Huguet F, Lièvre A, Marchal T, Mouillot T, Peschaud F, Quilliot D, Raynard B, Schneider S, Scotté F, Vansteene D, Mariani P, Bouché O, Joly F. Nutrition and physical activity. BMJ Support Palliat Care. 2021 Dec;11(4):381-395. 

Nuijten M. Ondervoeding in de zorg: behandeling loont, A2M Adviesbureau voor de gezondheidszorg, 2024.  

Obling, S.R., et al., Home parenteral nutrition increases fat free mass in patients with incurable gastrointestinal cancer. Results of a randomized controlled trial. Clinical Nutrition, 2019. 38(1): p. 182-190. 

Oh, SY, et al., A randomized phase II study to assess the effectiveness of fluid therapy or intensive nutritional support on survival in patients with advanced cancer who cannot be nourished via enteral route. Journal of Palliative Medicine, 2014. 17(11): p. 1266-70. 

Ong, XYS, et al., The role of total parenteral nutrition in patients with peritoneal carcinomatosis: A systematic review and meta-analysis. Cancers, 2021. 13(16). 

Orreval Y, Tishelman C, Permert J. Home parenteral nutrition: a qualitative interview study of the experiences of advanced cancer patients and their families. Clinical Nutrition 2005; 24: 961–70.

Orreval Y, Tishelman C, Permert J, Cederholm T. The use of artificial nutrition among cancer patients enrolled in palliative home care services. Palliat Med 2009; 23: 556-564.

Orreval Y, Tishelman C, Permert J, Lundstrom S. A national observational study of the prevalence and use of enteral feeding, parenteral nutrition and intravenous glucose in cancer patients enrolled in specialized palliative care, Nutrients 2013; 5: 267-282.

Parsons, HM, et al., Agency for Healthcare Research and Quality, 2023: p. 05. 

Parsons, HM, et al., Nutrition as prevention for improved cancer health outcomes: a systematic literature review. JNCI Cancer Spectrum, 2023. 7(3): p. 02. 

Pasanisi F, Orban A, Scalfi L et al. Predictors of survival in terminal-cancer patients with irreversible bowel obstruction receiving home parenteral nutrition. Nutrition 2001; 17: 581-584.

Payne, C, et al., Exercise and nutrition interventions in advanced lung cancer: A systematic review. Current Oncology, 2013. 20(4): p. e321-e337Philip J, Depczynski B. The role of total parenteral nutrition for patients with irreversible bowel obstruction secondary to gynecological malignancy. J Pain Symptom Manage 1997; 13: 104-111

Pironi L, Ruggeri E, Tanneberger S, Giordani S, Pannuti F, Miglioli M. Home artificial nutrition in advanced cancer. Journal of the Royal Society of Medicine 1997; 90: 597–603.

Pironi L, Boeykens K, Bozzetti F, Joly F, Klek S, Lal S, Lichota M, Mühlebach S, Van Gossum A, Wanten G, Wheatley C, Bischoff SC. ESPEN practical guideline: Home parenteral nutrition. Clin Nutr. 2023 Mar;42(3):411-430.

Prevost V, Grach MC. Nutritional support and quality of life in cancer patients undergoing palliative care. Eur J Cancer Care 2012; 21: 581-590.

Radbruch L, Elsner F, Trottenberg P et al. Clinical practice guidelines on cancer cachexia in advanced cancer patients. Aachen, Department of palliative medicine/European palliative care research collaborative, 2010.

Richtlijn Ondervoeding bij de geriatrische patiënt, 2013 (https://www.zorgvoorbeter.nl/tips-tools/tools/richtlijn-ondervoeding-bij-de-geriatrische-patient).

Rinninella, E, et al., Effects of nutritional interventions on nutritional status in patients with gastric cancer: A systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Clinical Nutrition ESPEN, 2020. 38: p. 28-42. 

Rinninella, E, et al., Nutritional Interventions to Improve Clinical Outcomes in Ovarian Cancer: A Systematic Review of Randomized Controlled Trials. Nutrients, 2019. 11(6): p. 21. 

Roeland EJ, Bohlke K, Baracos VE, Bruera E, Del Fabbro E, Dixon S, Fallon M, Herrstedt J, Lau H, Platek M, Rugo HS, Schnipper HH, Smith TJ, Tan W, Loprinzi CL. Management of Cancer Cachexia: ASCO Guideline. J Clin Oncol. 2020 Jul 20;38(21):2438-2453. 

Rozga, M, L Moloney, and D Handu, Dietitian-Provided Interventions for Adults with Cancer: An Umbrella Review of Systematic Reviews. Nutrition & Cancer, 2025: p. 1-15. 

Sa-Nguansai, S, P Pintasiri, and P Tienchaiananda, Efficacy of oral nutritional supplement in cancer patients receiving chemotherapy: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Annals of Palliative Medicine, 2024. 13(2): p. 260-272. 

Sandek A, Doehner W, Anker SD et al. Nutrition in heart failure: an update. Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2009; 12: 384-391.

Santarpia L, Alfonsi L, Pasanisi F et al. Predictive factors of survival in patients with peritoneal carcinomatosis on home parenteral nutrition. Nutrition 2006; 22: 355-360.

Schols AM, Soeters PB, Mostert R et al. Physiologic effects of nutritional support and anabolic steroids in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit Care Med 1995; 152: 1268-1274.

Schols AMWJK, Slangen J, Volovics L. Weight loss is a reversible factor in the prognosis of chronic obstructive pulmonary disease. Am J Resp Crit Care Med 1998; 157: 1791-1797.
Slinde F, Gronberg AM, Engstrom CR et al. Individual dietary intervention in patients with COPD during multidisciplinary rehabilitation. Respir Med 2002; 96: 330-336.

Sorenson EJ, Crum B, Stevens JC. Incidence of aspiration pneumonia in ALS in Olmsted County, MN. Amyotroph Lateral Scler 2007; 8: 87-89.

Soria Rivas A, Escobar Álvarez Y, Blasco Cordellat A, Majem Tarruella M, Molina Mata K, Motilla de la Cámara M, Del Mar Muñoz Sánchez M, Zafra Poves M, Beato Zambrano C, Cabezón Gutierrez L. SEOM clinical guidelines for cancer anorexia-cachexia syndrome (2023). Clin Transl Oncol. 2024 Nov;26(11):2866-2876.

Sowerbutts AM, Lal S, Sremanakova J, Clamp AR, Jayson GC, Teubner A, Hardy L, Todd C, Raftery AM, Sutton E, Morgan RD, Vickers AJ, Burden S. Palliative home parenteral nutrition in patients with ovarian cancer and malignant bowel obstruction: experiences of women and family caregivers. BMC Palliat Care. 2019 Dec 29;18(1):120.

Sowerbutts AM, Lal S, Sremanakova J, Clamp A, Todd C, Jayson GC, Teubner A, Raftery AM, Sutton EJ, Hardy L, Burden S. Home parenteral nutrition for people with inoperable malignant bowel obstruction. Cochrane Database Syst Rev. 2018 Aug 10;8(8):CD012812.

Steiner MC, Barton RL, Singh SJ et al. Nutritional enhancement of exercise performance in chronic obstructive pulmonary disease: a randomized controlled trial. Thorax 2003; 58: 745-751.

Strong MJ, Rowe A, Rankin RN. Percutaneous gastrojejunostomy in amyotrophic lateral sclerosis. J Neurol Sciences 1999; 169: 128-132.

Suchner U, Rothkopf MM, Stanislaus G et al. Growth hormone and pulmonary disease. Metabolic effects in patients receiving parenteral nutrition. Arch Intern Med 1990; 150: 1225-1230.

Sukaraphat, N, B Chewaskulyong, and S Buranapin, Dietary Counseling Outcomes in Locally Advanced Unresectable or Metastatic Cancer Patients Undergoing Chemotherapy. Journal of the Medical Association of Thailand, 2016. 99(12): p. 1283-90. 

Sulistyo, A, et al., Enteral tube feeding for amyotrophic lateral sclerosis/motor neuron disease. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2023. 8: p. CD004030. 

Tandon SP, Gupta SC, Sinha SN et al. Nutritional support as an adjunct therapy of advanced cancer patients. Indian J Med Res 1984; 80: 180-188.. 

Teunissen SC, Wesker W, Kruitwagen C, de Haes HC, Voest EE, de Graeff A. Symptom prevalence in patients with incurable cancer: a systematic review. J Pain Symptom Manage. 2007 Jul;34(1):94-104. 

van der Schueren, MAE, et al., Systematic review and meta-analysis of the evidence for oral nutritional intervention on nutritional and clinical outcomes during chemo(radio)therapy: current evidence and guidance for design of future trials. Annals of Oncology, 2018. 29(5): p. 1141-1153. 

van der Werf A, Langius JAE, Beeker A, Ten Tije AJ, Vulink AJ, Haringhuizen A, et al. The effect of nutritional counseling on muscle mass and treatment outcome in patients with metastatic colorectal cancer undergoing chemotherapy: a randomized controlled trial. Clinical nutrition (Edinburgh, Scotland) 2020;39(10):3005e13 

Vear, NK, et al., Impact of exercise and/or dietary interventions, and their behavior change techniques, on quality of life in middle-aged and older women following treatment for cancer: A systematic review. Maturitas, 2023. 175. 

Vella, R, et al., Nutritional Intervention for the Elderly during Chemotherapy: A Systematic Review. Cancers, 2024. 16(16). 

Vermeeren MAP, Wouters EFM, Nelissen LH et al. Acute effects of different nutritional supplements on symptoms and functional capacity in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Am J Clin Nutr 2001; 73: 295-301.

Vest AR, Chan M, Deswal A, Givertz MM, Lekavich C, Lennie T, Litwin SE, Parsly L, Rodgers JE, Rich MW, Schulze PC, Slader A, Desai A. Nutrition, Obesity, and Cachexia in Patients With Heart Failure: A Consensus Statement from the Heart Failure Society of America Scientific Statements Committee. J Card Fail. 2019 May;25(5):380-400. 

Wang, S, et al. Effect of complete high-caloric nutrition on the nutritional status and survival rate of amyotrophic lateral sclerosis patients after gastrostomy. American journal of translational research, 2022. 14, 7842‐7851.

Weekes CE, Emery PW, Elia M. Dietary counselling and food fortification in stable COPD: a randomized trial. Thorax. 2009 Apr;64(4):326-31. 

Weiss SM, Worthington PH, Prioleau M, Rosato FE. Home total parenteral nutrition in cancer patients. Cancer 1982; 50: 1210-1213.

Whittaker JS, Ryan CF, Buckley PA, Road JD. The effect of refeeding on peripheral and respiratory muscle function in malnourished chronic obstructive pulmonary disease patients. Am Rev Respir Dis 1990; 142: 283-288.

Whitworth MK, Whitfield A, Holm S et al. Doctor, does this mean I'm going to starve to death? J Clin Oncol 2004; 22: 199-201.

Zhang, F, et al., The management strategies of cancer-associated anorexia: a critical appraisal of systematic reviews. BMC Complementary & Alternative Medicine, 2018. 18(1): p. 236. 

Zhang, F, Y. Jin, and W. Qiang, The effects of dietary advice on malnutrition in Cancer patients: a systematic review and meta-analysis. Supportive Care in Cancer, 2020. 28(4): p. 1579-1585.