Screening en diagnostiek

Uitgangsvragen

  • Wordt screening op gewichtsverlies en ondervoeding aanbevolen bij patiënten met anorexie en gewichtsverlies in de palliatieve fase en zo ja, bij wie en hoe moet dat gebeuren?
  • Welke diagnostiek wordt aanbevolen bij patiënten in de palliatieve fase met anorexie en/of gewichtsverlies?

Methoden:

  • evidence-based [literatuuronderzoek richtlijn Anorexie en gewichtsverlies 2013]
  • consensus-based [huidige richtlijn]

Aanbevelingen

Screening

  • Overweeg te screenen op ondervoeding bij patiënten in de palliatieve fase, die nog actief behandeld worden voor hun ziekte en een levensverwachting hebben van meer dan drie maanden met als doel ondervoeding tijdig te detecteren en de voeding zo nodig aan te passen. De screening vindt plaats in het ziekenhuis.
  • Voer deze screening minimaal elke drie maanden uit of op momenten waarbij de voedingstoestand/-behoefte veranderd is. Overweeg om vaker te screenen bij patiënten met kanker die behandeld worden met systemische therapie.
  • Screen aan de hand van gewicht of BMI (waarbij het gewicht de voorkeur heeft boven de BMI) of met behulp van een screeningsinstrument. Gebruik consequent hetzelfde screeningsinstrument.

Diagnostiek

  • Vraag naar:
    • verminderde eetlust (anorexie);  
    • vermoeidheid, lichamelijke conditie, inspanningstolerantie, beperkingen in activiteiten van het dagelijks leven (ADL); 
    • (onbedoeld) gewichtsverlies in de tijd;
    • voedingsinname;
    • bijkomende klachten die van invloed zijn op inname, resorptie en/of verlies van voedingsstoffen; 
    • psychosociale gevolgen van anorexie en gewichtsverlies.
  • Overweeg om een symptoomdagboek te gebruiken (bijv. het Utrecht Symptoom Dagboek).
  • Overweeg of het zinvol en gewenst is om lengte en gewicht te bepalen en te vervolgen. Zo ja, bereken dan het percentage gewichtsverlies in de afgelopen 6 of meer maanden en/of de BMI.
  • Overweeg om een lichamelijk onderzoek te verrichten. Let daarbij op het bestaan van ascites en/of oedeem (die van invloed kunnen zijn op het gewicht). Inspecteer de mond- keelholte en verricht onderzoek van de buik.
  • Overweeg bij verdenking op kwetsbaarheid (verwijzing voor) een comprehensive geriatric assessment (CGA).
  • Laboratoriumonderzoek (CRP, serumalbumine, (modified) Glasgow Prognostic Score, Hb) om ondervoeding vast te stellen en/of te vervolgen wordt niet aanbevolen. 
  • Overweeg ander aanvullend onderzoek (bijv. feces op vet, gastroscopie, beeldvormend onderzoek), als dit passend is in de situatie van de patiënt en therapeutische consequenties heeft.
  • Verricht onderzoek naar spiermassa alleen in studieverband.

Literatuuronderzoek richtlijn 2013

Het literatuuronderzoek leverde drie studies op die direct betrekking hadden op de tweede uitgangsvraag [Del Fabbro 2010; Fearon 2006; Nelson 2002]. 

Del Fabbro [2010] verrichte een retrospectieve analyse van 98 mannen met kanker die waren verwezen naar een cachexie polikliniek. Bij alle patiënten was sprake van meer dan 5% gewichtsverlies in de afgelopen 6 maanden. Bij alle patiënten werd het CRP gemeten. Het gemiddelde CRP-gehalte was 20 mg/L (range 7-66 mg/l). De gemiddelde waarde voor het testosteron (gemeten bij 68 patiënten) was 185 ng/dl (range 58-261). Bij 27 van de 98 patiënten werd zowel het CRP als het testosterongehalte gemeten. Bij de patiënten met een verhoogd CRP bleek er vaker sprake te zijn van pijnklachten (r=0.48, p < 0,01), slechte eetlust (r=0.47, p < 0,01) en sufheid (r=0,38, p=0,01). Bij de mannen met CRP > 10 mg/L bleek dat de overleving ook slechter was dan bij mannen met een lager CRP (105 vs 324 dagen, p=0,01). Het CRP-gehalte is negatief gecorreleerd met het testosterongehalte. De combinatie van een laag testosterongehalte (< 185 ng/dl) en een verhoogd CRP (> 10 mg/L) heeft een slechtere prognose dan wanneer één van beide waarden afwijkend is. Hoewel in de discussie werd vermeld dat een verhoogd CRP-gehalte geassocieerd was met gewichtsverlies, stond dit niet bij de resultaten. 

In het onderzoek van Fearon bij 170 patiënten met een pancreascarcinoom en gewichtsverlies was er geen significant verschil in de hoogte van het CRP tussen patiënten met < 10% gewichtsverlies en patiënten met > 10% gewichtsverlies [Fearon 2006]. 

Serumalbumine werd decennialang gezien als parameter voor de voedingstoestand. Soeters en Schols beschrijven echter dat plasma albumine concentraties bij ondervoeding ernstig worden beïnvloed door vochtverschuivingen in het lichaam waardoor hypoalbuminemie ontstaat door verdunning [Soeters 2009]. Barbosa-Silva [2008] beschrijft in haar overzichtsartikel dat serumalbumine niet mag worden gezien als een marker van de voedingstoestand. Serumalbumine moet worden gezien als een indicator voor de ernst van de ziekte. Serumalbumine reageert niet op voedingsinterventie. Serumalbumine en andere eiwitten die vaak als marker voor de voedingstoestand worden gebruikt worden door veel andere factoren beïnvloed. Verschillende klinische situaties zoals inflammatie, trauma, kanker of weefselschade verhogen de synthese van positieve acute fase eiwitten zoals CRP en verlagen de synthese van serumalbumine, transferrine en prealbumine. Viscerale eiwitten mogen niet worden gezien als marker voor de voedingstoestand omdat zij alleen zijn geassocieerd met voedingstoestand bij stabiele inflammatoire parameters. Ellegård en Bosaeus [2008] trekken dezelfde conclusie. 

Sarhill en collega's [2003} beschrijven dat serum proteïnen zoals albumine, pre-albumine, transferrine, retinol binding proteïne en fibronectine geen goede parameters voor de voedingstoestand bij patiënten met kanker zijn omdat veel klinische situaties zoals bloedarmoede, infecties, inflammatie en de tumor zelf het niveau van deze stoffen kunnen beïnvloeden.

Nelson verrichtte een studie waarbij zij de toepasbaarheid van de Prognostic Inflammatory en Nutritional Index (PINI) bij patiënten met kanker in de palliatieve fase onderzocht [Nelson 2002]. De PINI wordt gebruikt om de voedingstoestand en prognose bij ernstig zieke patiënten te evalueren. De PINI is onderzocht bij patiënten met een trauma, brandwonden, infectie en cardiale aandoeningen (Ingenbeek 1985). De PINI-score wordt berekend door de twee acute fase eiwitten alpha-1-acid glycoproteine (AGP) en het C-reactive proteïne (CRP) te delen door de twee viscerale eiwitten albumine (ALB) en prealbumine (TBPA). In formule weergegeven: 

PINI = alpha-1-AGP (mg/l) x CRP (mg/l)/ALB (g/l) x TBPA (mg/l). 

In de studie van Nelson is het gebruik van de PINI onderzocht bij 50 patiënten (28 vrouwen en 22 mannen; gemiddelde leeftijd 64 jaar, range 47-79) die verwezen waren naar een polikliniek voor palliatieve zorg. Bij alle patiënten was sprake van een gevorderde fase van kanker, anorexie en in meer of mindere mate gewichtsverlies. De gemiddelde overleving vanaf het moment van de bepaling van de PINI was 63 dagen (95% betrouwbaarheidsinterval 41-86). De meest voorkomende diagnose was longkanker en geen van de patiënten werd op dat moment actief behandeld. Er werd gekeken naar de gemiddelde eiwitwaarden van alpha-1-acid-glycoproteïne, CRP, albumine, prealbumine en IL-6. Uit het onderzoek bleek dat de PINI sterk verhoogd was met een waarde van 102 (95% betrouwbaarheidsinterval 62-142) in vergelijking met een gezonde populatie waar de PINI < 1 was. De gemiddelde waarde voor het CRP bedroeg 106 mg/l (95% betrouwbaarheidsinterval 81-131) en het gemiddelde serumalbumine 24 g/l (95% betrouwbaarheidsinterval 23-26). Er was een significante correlatie tussen de PINI en de hoogte van het interleukine-6 (IL-6). Er bleek geen significante relatie te bestaan tussen de PINI en gewichtsverlies en ook niet met leeftijd, geslacht of overleving. 

Samengevat moet worden vastgesteld dat CRP en serumalbumine te weinig specifiek zijn en onvoldoende aangetoonde voorspellende waarde hebben voor het beoordelen van de voedingstoestand. Ook de PINI is niet goed bruikbaar voor dit doel [Walsh 2003]. Verder onderzoek is noodzakelijk.

--                                

Er zijn aanwijzingen dat het CRP, het serumalbumine en de PINI geen betrouwbare maat zijn voor de voedingstoestand bij patiënten in de palliatieve fase. 
[Borbosa-Silva 2008, Del Fabbro 2010, Ellegård 2008, Fearon 2006, Nelson 2002, Soeters 2009]

Ondervoeding kan vroegtijdig worden opgespoord door routinematig gestandaardiseerd te screenen. Door screening wordt een patiënt met een slechte/matige voedingstoestand of ondervoeding snel en eenvoudig herkend. De meeste screeningsinstrumenten zijn ontwikkeld door de vragen te selecteren die het meest voorspellend zijn voor ondervoeding. 
Er is geen bewijs op basis van onderzoek voor het effect van screenen op ondervoeding in de palliatieve fase.

De richtlijn ondervoeding adviseert om bij iedere ziekenhuisopname te screenen en maakt daarbij geen onderscheid op basis van de onderliggende ziekte en van het stadium ervan [Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding 2019]. De richtlijnen van European Society for Medical Oncology (ESPEN), American Society for Parenteral and Enteral Nutrition (ASPEN) en European Society for Medical Oncology (ESMO) adviseren om te screenen bij patiënten met kanker in de palliatieve fase als zij behandeld worden met systemische behandeling en/of wanneer ze een levensverwachting hebben van meer dan enkele maanden (zeer sterke consensus bij zeer laag wetenschappelijk bewijs) [Arends 2017, Arends 2021, Muscaritoli 2021]. De Sociedad Española de Oncología Médica (SEOM) richtlijn over het anorexie-cachexie-syndroom adviseert screening bij patiënten met kanker bij een levensverwachting van meer dan 3-6 maanden (consensus op basis van expert opinie zonder expliciete kritische beoordeling) [Soria Rivas 2023]. Bij al deze richtlijnen wordt het gebruik van een screeningsinstrument geadviseerd. De American Society of Clinical Oncology (ASCO) richtlijn Management of cancer cachexia geeft geen advies over screening [Roeland 2020].

De richtlijn COPD adviseert om na te gaan of er aanwijzingen zijn voor een verminderde voedingstoestand door het bepalen van de BMI en/of het uitvragen van het gewichtsbeloop bij de patiënt. Er wordt geen melding gemaakt van het gebruik van een screeningsinstrument. In reviews over ondervoeding/cachexie bij COPD en hartfalen wordt screening ook aangeraden [De Brandt 2022, De Jorge 2024, Keogh 2022].
De werkgroep is van mening dat screening op ondervoeding overwogen moet worden bij patiënten in de palliatieve fase, die nog actief behandeld worden voor hun ziekte (bijv. systemische therapie bij patiënten met kanker) en een levensverwachting hebben van meer dan 3 maanden met als doel ondervoeding tijdig te detecteren en de voeding zo nodig aan te passen. De screening vindt plaats in het ziekenhuis. Bij andere patiënten ligt de aandacht op symptoomverlichting [Arends 2021].
Deze screening wordt ten minste elke drie maanden uitgevoerd of op momenten waarbij de voedingstoestand/-behoefte veranderd is. Bij kankerpatiënten met actieve antitumortherapie heeft het de voorkeur om vaker te screenen.
Screening vindt plaats aan de hand van gewichtsverlies (voorkeur) en/of BMI of met behulp van een screeningsinstrument. Ondervoeding wordt vastgesteld aan de hand van de GLIM-criteria (zie Achtergrond). De screeningsinstrumenten zijn bij voorkeur eenvoudig en snel en hebben voldoende gevoeligheid en specificiteit [Muscaritoli 2021, Roeland 2020]. Er is geen consensus over hoe en welke screening moet worden uitgevoerd en welke afkappunten nodig zijn om de beoordeling uit te voeren [Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding 2019].

Tabel Screeningsinstrumenten voor ondervoeding [Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding 2019]

Screeningsinstrument Te gebruiken in Referentie
MUST Alle sectoren Elia 2003
MNA-SF Alle sectoren voor ouderen Rubenstein 2001
PG-SGA short form Alle sectoren De Groot 2020
Voedingstoestandmeter Ziekenhuis (poliklinisch) Leistra 2013
SNAQ Ziekenhuis (klinisch) Kruizenga 2005
SNAQ-65+ Thuiswonende ouderen, revalidatiecentra Wijnhoven 2012
SNAQ-RC Verpleeg- en verzorgingshuizen Kruizenga 2009
NUTRIC SCORE Intensieve Zorgafdeling Heyland 2011

De PG-SGA SF (Patient-Generated Subjective Global Assessment – Short Form) is het best onderzocht bij patiënten in de palliatieve fase [Mcluskie 2025].
De PG-SGA SF kan meerwaarde bieden in de palliatieve fase omdat hierin ook klachten worden nagevraagd en dit dus een mogelijkheid biedt om deze klachten te behandelen.
De MNA-SF (Mini Nutritional Assessment – Short Form) is de basis van de Groningen Frailty Indicator, een belangrijke tool om kwetsbaarheid van ouderen te meten en wordt ook vaak gebruikt in de palliatieve fase bij ouderen [richtlijn Ondervoeding en sarcopenie bij ouderen met een kwetsbare gezondheid]. In instellingen zit MUST (Malnutrition Universal Screening Tool) of één van de SNAQ’s (Short Nutritional Assessment Questionnaire) vaak ingebouwd in het elektronisch patiëntendossier en is dus een praktische keus.
Alle patiënten bij wie na screening ondervoeding is vastgesteld, worden doorverwezen naar een diëtist (zie module Organisatie van zorg) voor beoordeling van de voedings- en metabole status en evaluatie van de voedselinname [Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding 2019].

Bij de diagnostiek van anorexie en gewichtsverlies staan de anamnese en het lichamelijk onderzoek centraal. Bij gewichtsverlies wordt geprobeerd om te beoordelen in hoeverre ziekte- en behandelingsgerelateerde symptomen de oorzaak zijn van gewichtsverlies en in hoeverre metabole veranderingen een belangrijke rol spelen. 
Anamnese en lichamelijk onderzoek geven een indruk over de ernst van de anorexie, de mate van het gewichtsverlies, aanwezigheid van ondervoeding, het bestaan van symptomen die leiden tot verminderde inname en/of resorptie dan wel verhoogd verlies of verbruik van voedingsstoffen en de fysieke en psychosociale gevolgen van anorexie en gewichtsverlies. 
Na anamnese en lichamelijk onderzoek wordt overwogen of aanvullend onderzoek zinvol en aangewezen is.

Anamnese

Bij patiënten met anorexie komen vaak andere voedingsgerelateerde klachten voor, zoals snelle verzadiging (82%), gewichtsverlies (79%), smaakveranderingen (69%), aversie tegen eten (57%), braken (40%), obstipatie (32%) en misselijkheid (23%) [Yavuszen 2009]. Al deze symptomen kunnen bijdragen aan gewichtsverlies.
Gebrek aan eetlust, verstoorde slaap, vermoeidheid, gebrek aan energie en angst waren de symptomen met de hoogste incidentiepercentages en ernstscores in alle drie stadia van cachexie, gecorreleerd met de ernst van de stadia [Zhou 2017]. Na correctie voor confounders bleven significante verschillen te zien in pijn, duizeligheid, vermoeidheid, gebrek aan energie, verstoorde slaap, geheugenstoornissen, smaak- en reukstoornissen, gebrek aan eetlust, snelle verzadiging, droge mond, braken en diarree. 
Bij cachectische patiënten zijn de meest voorkomende gastro-intestinale symptomen: verlies van eetlust, snelle verzadiging, een opgeblazen gevoel, smaakveranderingen, xerostomie, dysfagie, misselijkheid en obstipatie. Daarnaast kunnen gevolgen van anorexie leiden tot kortademigheid, ernstige vermoeidheid, psychosociale klachten met een grote impact op conditie en kwaliteit van leven [Caillet 2017].

Bij de anamnese wordt gevraagd naar: 

  • anorexie (de mate van anorexie kan eventueel door de patiënt gescoord worden op een schaal van 0 tot 10; herhalen van de score kan gebruikt worden om het beloop en het effect van de behandeling te evalueren); 
  • vermoeidheid, lichamelijke conditie, inspanningstolerantie, beperkingen in activiteiten van het dagelijks leven (ADL); 
  • (onbedoeld) gewichtsverlies in de tijd;
  • spierkracht;
  • voeding en maaltijden: aantal maaltijden, hoeveelheid voeding, consistentie voeding (vast/zacht/vloeibaar), gebruik van tussendoortjes, aversie tegen eten, voorgeschreven of zelf opgelegde dieetbeperkingen of dieetaanvullingen, alternatieve diëten, gebruik van aanvullende drinkvoeding, gebruik van vitaminen of andersoortige supplementen, bereiding van voeding, omstandigheden van de maaltijden (plaats/gezelschap); 
  • bijkomende klachten die van invloed zijn op inname en/of verlies van voedingsstoffen, zoals trismus, problemen met gebit of gebitsprothese, aversie tegen eten, veranderingen in smaak en reuk, droge of pijnlijke mond of keel, taai speeksel, slikstoornissen, voedselpassagestoornissen, misselijkheid en braken, snelle verzadiging, opgezette buik, buikpijn, diarree, obstipatie, koorts, pijn, kortademigheid; 
  • psychosociale factoren: noodzaak en mogelijkheden voor hulp bij het eten, bereiden ervan en boodschappen doen, bezorgdheid over gebrek aan eetlust en gewichtsbeloop, vragen, kennis, ideeën en verwachtingen over (de rol van de) voeding (zowel bij patiënt als bij naasten), (culturele) waarde die aan de voeding toegekend wordt door de patiënt en zijn naasten, omgaan van de patiënt en zijn naasten met voeding en maaltijden, lichaamsbeeld, sociale gevolgen van het niet normaal kunnen eten; 
  • gedachtes, wensen en knelpunten bij patiënt en naasten ten aanzien van de voeding;
  • stemming;
  • cognitieve functiestoornissen (stoornissen in aandacht, concentratie, geheugen en denken, bijv. bij dementie), afweergedrag bij eten; 
  • existentiële factoren: doel en zin van het leven;
  • medische voorgeschiedenis/comorbiditeit (bijv. diabetes mellitus); huidige behandeling; 
  • medicatie. 

Routinematig gebruik van symptoomdagboeken leidt in het algemeen tot meer passende therapeutische interventies, wat leidt tot een betere symptoombeheersing en vervolgens tot een betere voedingsinname [Omlin 2013]. Het gebruik van een symptoomdagboek kan ook overwogen worden bij anorexie en gewichtsverlies. Hierbij kan bijv. het Utrecht Symptoom Dagboek worden gebruikt [Van der Baan 2020].

Lichamelijk onderzoek

Bij het lichamelijk onderzoek kunnen lengte en gewicht worden gemeten. Als handhaving of verbetering van de voedingstoestand een haalbaar en gewenst doel is van de behandeling, kan ervoor gekozen worden om regelmatig te wegen. 
BMI en percentage gewichtsverlies (meer dan 5% in de afgelopen 6 maanden of meer dan 10% over een langere periode) zijn belangrijke parameters voor ondervoeding. Daarbij is gewichtsverlies een betere maat dan de BMI. De BMI is een eenvoudige maatstaf, gemakkelijk te implementeren in de klinische praktijk, maar neemt het uitgangsgewicht van eerder niet mee.
Er wordt gelet op het bestaan van oedeem en ascites, waardoor het werkelijke lichaamsgewicht gemaskeerd kan worden. Inspectie van de mond/keelholte en onderzoek van de buik (inspectie, auscultatie, percussie en palpatie) kunnen relevante informatie opleveren. 

Comprehensive geriatric assessment

Bij geriatrische patiënten met verminderde eetlust en gewichtsverlies kan conform de richtlijn Ondervoeding en sarcopenie bij ouderen met een kwetsbare gezondheid overwogen worden om een comprehensive geriatric assessment (CGA) te (laten) verrichten.

Laboratoriumonderzoek

Inleiding
Anorexie en gewichtsverlies bij patiënten in de palliatieve fase kunnen vele oorzaken hebben. Het zou praktisch zijn om ondervoeding te kunnen diagnosticeren en vervolgen middels in de dagelijkse praktijk toepasbaar biochemisch onderzoek. 

Anorexie en gewichtsverlies bij ziekte treden op door een complex samenspel van verminderde inname, verhoogd verlies, en/of verminderde resorptie van voedingstoffen en van inflammatie [McMillan 2009]. Inflammatie is een verzamelnaam voor ontstekingsprocessen als reactie op prikkels zoals trauma, micro-organismen, ziekteactiviteit en prikkels van chemische aard. Niet alleen bij patiënten met kanker, maar ook bij patiënten met andere chronische ziekten treedt in een vergevorderd stadium een chronisch ontstekingsproces op met veranderde waardes van cytokines en acute fase-eiwitten. De ziekte zelf en/of het immuunsysteem van de patiënt maken, als reactie op de ziekte, cytokines die vrijkomen in de bloedbaan. De lever reageert op deze cytokines door het maken van acute fase-eiwitten. Acute fase-eiwitten zijn eiwitten waarvan de concentratie in het bloed al in een vroeg stadium van inflammatie stijgt (positieve acute fase-eiwitten, bijv. het C-reactief proteïne (CRP)) of daalt (negatieve acute fase-eiwitten, bijv. het serumalbumine).

Bij systemische inflammatie worden verschillende pro-inflammatoire cytokines geproduceerd zoals interleukines (IL-1 en IL-6) en tumor necrose factor alfa (TNF-α). Hierdoor wordt eiwitafbraak gepromoot, terwijl eiwitaanmaak wordt afgeremd met een dalend serumalbumine gehalte en een stijgend CRP tot gevolg [Keller 2019, Zhao 2021]. Serumalbumine kan worden gezien als een indicator voor de ernst van de inflammatie, maar niet als een marker van de voedingsstatus [Borbos-Silva 2008].  Er is namelijk enkel een associatie tussen viscerale eiwitten en voedingstoestand bij stabiele inflammatoire parameters [Ellegård 2008]. 

Een CRP van >10 mg/l en een serumalbumine van < 35 g/l wijzen op de aanwezigheid van inflammatie of metabole stoornissen. Ouder onderzoek laat zien dat ze gecorreleerd zijn met een slechte prognose bij patiënten met kanker [Del Fabbro 2010; McMillan 2009].  De mate van inflammatie heeft ook invloed op de effectiviteit van voedingsinterventies (zie verder).

Literatuuronderzoek werkgroep

Gang van zaken
In eerste instantie is door de literatuuronderzoeker een systematische literatuursearch gedaan. Vanwege gebrek aan middelen is daarna besloten dat de werkgroep de gevonden studies selecteerde en de uitkomsten besprak. De studies zijn dus niet gegradeerd volgens GRADE en de uitkomsten zijn consensus-based. Het literatuuronderzoek is beperkt tot studies bij patiënten met kanker.

Zoeken en selecteren van studies 

Onderzoeksvraag
Welke biochemische parameters zijn een goede maat voor de voedingstoestand en de overleving bij patiënten met kanker?

PICO

P Patiënten met kanker
I Biochemische parameters (CRP, serumalbumine, andere)
C  
O Gewichtsverlies, (progressievrije) overleving

Op 10 april 2025 is in de databases Medline (OVID), Embase en de Cochrane Library gezocht naar wetenschappelijke literatuur gepubliceerd vanaf 2012. Deze zoekactie leverde na ontdubbelen en verwijderen van referenties in een andere taal dan Engels of Nederlands 2350 resultaten op. 
Deze resultaten zijn geselecteerd op basis van de volgende criteria: 

  • Populatie en interventies zoals gedefinieerd in de zoekvraag; 
  • Studietype: systematische reviews, meta-analyses, RCT’s of prospectieve studies; 
  • Taal: Engels, Nederlands.

In eerste instantie zijn de titel en abstract van de referenties beoordeeld. Uiteindelijk zijn 8 prospectieve studies, 5 RCT’s en 3 systematische reviews behouden.
Zie tabel 1 voor de beschrijving van de prospectieve studies en de RCT’s en tabel 2 voor de uitkomsten ervan. Bijna alle studies hadden overleving als eindpunt. 

Tabel 1 - Beschrijving van de studies
Tabel 2 - Uitkomsten van de geselecteerde studies

Prospectieve studies

Roncolato [2018] toonde aan dat de modified Glasgow Prognostic Score (mGPS) een significante voorspeller voor overleving bleef na correctie voor o.a. performance status, fysiek en sociaal functioneren, aanwezigheid van ascites, CA125, hemoglobine, trombocyten, neutrofielen, lymfocyten ratio en platinumresistentie (p 0.024). De mGPS was ook voorspellend voor progressievrije overleving. Een hogere mGPS was geassocieerd met meer ernstige symptomen en slechtere levenskwaliteit, onafhankelijk van performance status (p<0.001).

Sanchez-Lara [2012] vond geen onafhankelijke associatie tussen albumine, Platelet Lymfocyte Ratio (PLR), Neutrophil Lymfocyte Ratio (NLR), CRP en overleving. Volgens de auteurs komt dit door onbekende mechanismen bij inflammatie en confounders zoals corticosteroïdgebruik.

Pumtako [2025] zag een correlatie tussen CRP, mGPS  en NLR enerzijds en overleving anderzijds (p <0.05). De combinatie van CRP, mGPS en NLR met gewichtsverlies en BMI leidde tot een betere voorspelling van de overleving. Er was een duidelijke verband tussen CRP, mGPS en NLR met fenotypische kenmerken van GLIM zoals gewichtsverlies. 

Mao [2024] vond een significante associatie van serumalbumine met overleving (HR 1.67, p 0.024). De niet-significante associatie van pre-albumine en CRP met overleving werd verklaard door een zeer hoog aantal patiënten met een verlaagd pre-albumine (88.6%) en verhoogd CRP (80.2%). Hierdoor kon geen minimale referentiegroep in de Cox regressieanalyse gemaakt worden.

Gagnon [2024] toonde matig tot sterke associaties aan tussen de verschillende inflammatoire parameters. De mGPS en de aanwezigheid van cachexie en gewichtsverlies waren significant voorspellend voor de overleving. Door een twee stap clusteranalyse werden patiënten in 4 groepen onderverdeeld. Patiënten in groepen 3 en 4 hadden een significant hogere CRP (HR 14.33; 95% CI 5.82-22.84, p 0.001) en grotere kans op gewichtsverlies, lage BMI en fenotypische cachexiekenmerken t.o.v. groepen 1 en 2 (HR 4.01; 95% CI 1.84-9.09, p 0.0006). Groep 3 en 4 (gecombineerd) hadden een significant slechtere overleving dan groep 1 en 2 (gecombineerd).

Souza-Cunha [2018] laat een sterke correlatie zien van serumalbumine, mGPS en PG-SGA  met de overleving. De CRP werd in een multivariate analyse niet als een onafhankelijke voorspeller gezien.

In de studie van Read [2006] waren de resultaten van multivariate analyse afhankelijk van de wijze waarop het CRP werd opgenomen in de regressieanalyse:

  • Bij gebruik van CRP als dichotome variabele was de GPS significant voorspellend voor de overleving (en niet het CRP).
  • Bij gebruik van CRP als continue variabele was de uitkomst precies omgekeerd: het CRP was voorspellend voor de overleving, maar de GPS niet.

Zhang [2022] toonde een positieve correlatie tussen hemoglobine en serumalbumine met risico op ondervoeding (resp. p<0.05 en p<0.01).

RCT’s

Alle RCT’s hadden alleen (progressievrije) overleving als eindpunt.

Vernerey [2016] onderzocht 30 baseline prognostische factoren in een RCT bij 442 patiënten met een lokaal vergevorderd pancreascarcinoom die al dan niet behandeld werden met chemoradiatie na inductiechemotherapie. Er is geen vermelding van cachexie. Vijf onafhankelijk prognostische factoren bleken te zijn: leeftijd, pijn, tumorgrootte, CA19.9 en serumalbumine (HR 0,963, p 0.0006). Een externe validatieset van 106 patiënten met lokaal vergevorderd pancreascarcinoom bevestigde deze resultaten.        

Liposits [2022] onderzocht de prognostische waarde van biochemische parameters (CRP, dNLR, YKL-40, IL-6) in een RCT met twee chemotherapeutische schema’s bij 160 oudere (>70 jaar) patiënten met gemetastaseerde CRC. CRP en dNLR waren allebei significant verhoogd bij gewichtsverlies en waren gecorreleerd met overleving (resp. HR 3.4 (95% CI 2.20-5.26), p<0.001 en HR 1.65 (95% CI 1.11-2.44), p 0.013). Voor progressievrije overleving was er enkel CRP als onafhankelijke voorspeller (HR 1.64 (95% CI 1.16-2.34), p 0.005).  

Wallengren [2013] verzamelde meerdere RCTs met verschillende interventies in de palliatieve fase bij 405 kankerpatiënten zonder beschikbare standaard antitumorbehandeling en een prognose van >6 maanden. Lichaamsgewicht en BMI werd gecategoriseerd in BMI <20, gewichtsverlies van >2, >5 of >10% en in BMI <20 met gewichtsverlies >2%. Cachexie werd gedefinieerd volgens drie mogelijke diagnostische sets. CRP, BSE, serumalbumine en hemoglobine werden gemeten. Een CRP > 10 mg/L was geassocieerd met verminderde kwaliteit van leven en functioneren en met meer symptomen. Een serumalbumine < 35 g/L en gewichtsverlies > 5% waren eveneens gelinkt aan verminderde kwaliteit van leven en functioneren, terwijl hemoglobine < 120 g/L en gewichtsverlies > 10% aan meer symptomatologie. Verminderde loopafstand werd gezien bij BSE > 20 mm/uur en serumalbumine < 35 g/L. CRP > 15 mg/L en serumalbumine <35 g/L zijn geassocieerd met een slechtere overleving (p<0.03).

Fuchs [2017] onderzocht in twee RCTs over ramucirumab vs. placebo of ramucirumab en paclitaxel vs. paclitaxel als tweede lijn behandeling bij 953 maagkankerpatiënten met ECOG PS 0-1. Biochemische parameters waren o.a. serumalbumine, hemoglobine, leukocyten, lymfocyten, neutrofielen. In een multivariate analyse werden twaalf onafhankelijke prognostische factoren geïdentificeerd waaronder laag lymfocyten gehalte met HR 1.31 (95% CI 1.05-1.63), p 0.0015; hoog neutrofielen gehalte met HR 1.52 (95% CI 1.17-1.99), p <0.0001 en laag serumalbumine met HR 1.33 (95% CI 1.07-1.65), p 0.0006. Daarnaast werden ook alkalisch fosfatase, AST, LDH en natriumgehaltes met overleving geassocieerd.

Pan [2021] onderzocht in twee RCTs over abiraterone vs. placebo in eerste of latere lijnsbehandeling bij 2205 patiënten met gemetastaseerde castratieresistent prostaatcarcinoom. BMI, PSA, hemoglobine, LDH, alkalisch fosfatase, en albumine werden gemeten. In multivariate analyse voorspelde een serumalbumine <40 g/L onafhankelijk de prognose in beide RCTs met HRs van 1.4 en 1.54, p <0.001. Een BMI <25 (dus normaal of verlaagd) was in de ene RCT een significante voorspeller van de overleving (HR 1.30, p <0.01) en in de andere niet (HR 1.19, p .0,106. Patiënten werden verdeeld in vier groepen: BMI <25 en albumine <40 g/L; BMI <25 en serumalbumine >40; BMI >25 en serumalbumine <40; BMI >25 en albumine >40. Patiënten met een normaal of verlaagd BMI en laag serumalbumine hadden de slechte prognose. 

Het Hb was in de studie van Fuchs [2017] voorspellend voor de overleving bij univariate analyse, maar niet bij multivariate analyse. In andere studies [Gagnon 2024, Mao 2024, Read 2005, Souza-Cunha 2018, Vernerey 2016, Wallengren 2013] was het Hb niet voorspellend voor de overleving.

Systematische reviews (zie tabel 3 - Beschrijving systematische reviews)

Cordeiro [2020] onderzocht de relatie tussen inflammatie en voedingstoestand bij patiënten met kanker in de palliatieve fase. Er werden 9 studies geïncludeerd. Zes studies gebruikten het CRP als maat voor inflammatie. Hierbij werden verschillende afkappunten (5, 10, 50 en 100 mg/L) gebruikt. In 5/6 studies werd een significant verband gevonden tussen een verhoogd CRP en verlies van gewicht en/of spiermassa. De mGPS werd onderzocht in drie studies. Een studie vond geen verband tussen de mGPS en gewicht, BMI en PG-SGA. De tweede studie vond een verband tussen de mGPS en cachexie. In de derde studie bleek de mGPS een significante voorspeller van de overleving. Serumalbumine werd onderzocht in één studie. Het was gecorreleerd met spiermassa en overleving. Cytokines (IL-1, Il-6, IL-8, IL-10, interferon-γ, TNF-α) werden onderzocht in twee studies. Een studie vond geen relatie tussen cytokines en cachexie. De tweede studie vond alleen een verband tussen IL-1 en gewichtsverlies en niet bij andere cytokines; alle cytokines waren echter wel gecorreleerd met de overleving.

Bullock [2020] verrichte een systematische review en meta-analyse over de relatie tussen biochemische markers voor ondervoeding en klinische uitkomsten bij oudere (>70 jaar) patiënten met kanker. Er werden 42 studies bij in totaal 21.032 patiënten geïncludeerd. Hier wordt alleen de relatie tussen biochemische markers en overleving (22 studies) besproken. Geen van de studies onderzocht de relatie tussen biochemische markers en ondervoeding.
Een significante relatie tussen biochemische markers en overleving werd gevonden voor:

  • Hb: 4/5 studies;
  • Serumalbumine: 1/4 studies;
  • CRP: 1/2 studies;
  • Prognostic Nutritional Index (PNI, gebaseerd op serumalbumine en lymfoctenaantal): een meta-analyse van 4 studies liet een significante correlatie zien tussen de PNI en overleving (HR 1.89, p 0.04);
  • Geriatric Nutritional Risk Index (GNRI, gebaseerd op serumalbumine en gewicht): 1/2 studies;
  • Controlling Nutritional Status Score (CONUT, gebaseerd op serumalbumine, serumcholesterol en lymfocytenaantal): 1/2 studies;
  • Nutritional Risk Index (NRI, gebaseerd op serumalbumine en gewicht): 1/1 studie.

Fruchtenicht [2015) verrichte een systematische review met betrekking tot methodes over het vaststellen van risico op ondervoeding. Er werden 6 studies bij 1151 patiënten (‘critically ill’) met kanker gevonden; twee studies vielen af omdat er geen biochemische parameters in werden bepaald. 
Een significante relatie tussen biochemische markers en overleving werd gevonden voor:

  • Serumalbumine: 3/3 studies;
  • CRP: 1/1 studie;
  • GPS: 1/1 studie.

Eén studie vond dat de Prognostic Inflammatory and Nutrional Index (PINI), gebaseerd op CRP, alpha(1)-acid glycoproteïne, albumine en transthyretine (=pre-albumine) een goede maat was voor ondervoeding.

De literatuursearch was beperkt tot prospectieve studies. Dolan [2017] verrichte een systematische review en meta-analyse van studies naar de relatie tussen inflammatoire markers en overall of kankerspecifieke overleving bij patiënten met een ver voortgeschreden stadium van kanker. Het grootste deel van de studies was retrospectief. CRP werd onderzocht in 56 studies met overall overleving als eindpunt, serumalbumine in 31 studies, de mGPS in 36 studies en de Neutrophil Lymfocyte Ratio (NLR) in 58 studies.
Daarbij werden de volgende hazard ratio’s gevonden:

  • CRP: HR 1.47 (95%BI 1.40-1.54), p<0.00001; wanneer CRP >10 mg/l werd vergeleken met een CRP <10 mg/l (19 studies) was de HR 1.73 (95%BI 1.55-1.93), p<0.00001;
  • Serumalbumine: HR 1.77 (95%BI 1.54-2.03), p < 0.00001; wanneer een serumalbumine <35 werd vergeleken met een serumalbumine >35 (13 studies) was de HR 2.21 95%CI 1.60-3.06, p < 0.00001; 
  • mGPS: HR 2.06 95%BI 1.86-2.28, p < 0.00001; 
  • NLR: HR 1.71 95%BI 1.57-1.86, p < 0.00001) wanneer een NLR >5 werd vergeleken met een NLR <5 was de HR 1.64 95%BI 1.42-1.89, p < 0.00001.

Conclusies literatuuronderzoek 2013 en 2025

Het systematische literatuuronderzoek van de richtlijn van 2013 leidde tot de conclusie dat het CRP, het serumalbumine en de PINI geen betrouwbare maat zijn voor de voedingstoestand bij patiënten in de palliatieve fase. In dat literatuuronderzoek is overleving niet meegenomen als eindpunt.
Het literatuuronderzoek van de periode 2013-2025 (analyse verricht door de werkgroep) had zowel de voedingstoestand als overleving als eindpunten en beperkte zich tot patiënten met kanker. Het grootste deel van de gevonden studies richtte zich alleen op de prognostische betekenis van biochemische parameters. Serumalbumine, CRP, de (modified) Glasgow Prognostic Scale ((m)GPS, waarin metingen van serumalbumine en CRP worden gecombineerd) en het serum-Hb waren met afstand de meest onderzochte biochemische parameters. Met deze parameters wordt de mate van systemische inflammatie vastgesteld. Serumalbumine (soms als onderdeel van indices zoals de PNI, GNRI, CONUT en NRI), CRP en (m)GPS waren zowel bij univariate als bij multivariate analyse in het grootste deel van de studies significant voorspellend voor de overleving (zie ook Tabel 2). Het serum-Hb was zelden voorspellend voor de overleving.
Een meta-analyse van retro- en prospectieve studies liet HRs voor overlijden zien voor CRP, serumalbumine, GPS en NLR variërend van 1.40 tot 1.86 [Dolan 2017].
De studies van Zhang [2022], Read [2006] en Pumtako [2025] en de systematische review van Cordeiro [2020] lieten verbanden zien tussen biochemische parameters (met name CRP, verder ook serumalbumine en NLR) en de voedingstoestand.

Alle beschreven studies gaan over kankerpatiënten. Echter, de onderliggende systemische inflammatie wordt ook in andere chronische ziektebeelden beschreven. Hierdoor zijn de bevindingen waarschijnlijk ook van toepassing op patiënten met een niet-oncologische ziekte.

Aanbevelingen richtlijnen en consensusbijeenkomsten

Er is een sterke consensus binnen de werkgroep van ESPEN-richtlijn rondom het inzetten van biochemische parameters ter voorspelling van het effect van voedingsinterventies bij opgenomen patiënten met multimorbiditeit [Wunderle 2023]. De richtlijn doet geen concrete aanbeveling voor een keuze, maar geeft aan dat in de EFFORT studie het CRP een betere voorspeller was voor het effect van voedingsinterventies dan het serumalbumine. 

In de ESPEN richtlijn ‘Clincal nutrition in cancer’ wordt het inzetten van inflammatoire markers aangeraden bij opgenomen patiënten met kanker met aanwijzingen voor ondervoeding bij screening [Muscaritoli 2021]. Het doel ervan en de keuze worden niet duidelijk omschreven. Later in de richtlijn wordt wel aangegeven bij geactiveerde systemische inflammatie de kans op effect van voedingsinterventies geringer is.

In de ESPEN richtlijn rond enterale voeding in de thuissituatie was er 83% consensus om het serumalbumine mee te nemen in de monitoring tijdens een voedingsinterventie met als doel om het effect van sondevoeding te monitoren [Bischoff 2022].

De ASPEN richtlijn rond enterale voeding in de thuissituatie noemt het inzetten van inflammatoire markers, maar geeft tegelijkertijd aan dat ze niet indicatief zijn voor het bestaan van ondervoeding [Boullata 2017]. In een ASPEN standaard over biochemische parameters worden albumine en pre-albumine als indicatoren van de inflammatie geduid, maar deze biomarkers worden niet aangeraden tijdens monitoring en beoordeling van effect van voedingsinterventies [Evans 2020].

In de Nederlandse richtlijn Ondervoeding wordt laboratoriumonderzoek (albumine, pre-albumine en CRP) genoemd als ondersteuning bij het vaststellen van ziektelast/inflammatie, maar niet expliciet aanbevolen [Multidisciplinaire richtlijn ondervoeding (2019)]. Er worden geen afkappunten vermeld.

Een werkgroep van het Global Leadership Initiative on Malnutrition (GLIM) doet een zeer sterke aanbeveling om het CRP te bepalen als bevestiging van inflammatie als bijdragende factor bij ondervoeding, als er onzekerheid daarover is op basis van diagnose en klinische beoordeling [Cederholm 2024, Jensen 2024]. Een CRP van 3.3-9.9 mg/L, 10-50 mg/L en >50 mg/L worden beschouwd als resp. een milde, matige en ernstige vorm van inflammatie. CRP-metingen kunnen ook bij patiënten met niet-oncologische ziekten duiding geven rondom de systemische inflammatie en ondervoeding. De consequenties van het vaststellen van de mate van systemische inflammatie worden in de publicaties niet uitgewerkt.

Bespreking: de rol van biochemische markers bij de diagnostiek van anorexie en gewichtsverlies

Het inzetten van biochemische parameters kan worden overwogen als maat voor inflammatie bij patiënten met anorexie en gewichtsverlies in de palliatieve fase. Daarbij kunnen de volgende doelen worden nagestreefd:

  1. Het vaststellen van ondervoeding;
  2. Als hulp voor het maken van een keuze met betrekking tot een voedingsinterventie;
  3. Monitoring van het effect van voedingsinterventies;
  4. Duidelijkheid over de prognose.

Ad 1: Vaststellen van ondervoeding
De werkgroep ziet – net als in de vorige versie van deze richtlijn – geen toegevoegde waarde van laboratoriumonderzoek bij het vaststellen van ondervoeding. De GLIM-criteria volstaan.

Ad 2: Als hulp voor het maken van een keuze met betrekking tot een voedingsinterventie
In zijn algemeenheid geldt dat er een hoge mate van inflammatie gepaard gaat met een lagere kans op effect van voedingsinterventies, zoals een eiwit- en energieverrijkt dieet, sondevoeding of parenterale voeding. 

Dit werd bevestigd door recent onderzoek (EFFORT-trial) waarbij de prognostische waarde van IL-6, TNF-α en CRP bij ziekenhuispatiënten met risico op ondervoeding en hun respons op voedingsinterventie werd onderzocht [Wunderle 2025]. Hoge (>11.2 pg/ml) waardes voor IL-6 waren gecorreleerd met hogere sterfte na 30 dagen (HR 3.50, p <0.01) en na 6 maanden, 1, 2, 3 en 5 jaar (HRs variërend van 1.60 tot 1.97, p<0.01). Er werd geen significante correlatie gevonden tussen CRP en overleving. Bij patiënten met lage IL-6-waarden (<11.2 pg/ml) had de voedingsinterventie een duidelijk sterfte-reducerend effect (HR 0,32, p 0.047). Bij hoge IL-6-waarden verdween dit voordeel grotendeels (HR 0,82; niet significant). Patiënten met een CRP >100 mg/L lieten ook een trend zien voor een verminderde response op de voedingsinterventie (HR 1.25 bij hoge CRP-waardes (niet significant) versus 0.47 bij lage CRP-waardes (p 0.034)). De bevindingen ondersteunen de stelling dat een hoge inflammatoire toestand gekoppeld is aan verminderde voordelen van voedingsbehandeling. Blijkbaar voorspellen CRP en IL-6 effectief de behandelrespons, maar IL-6 kan daarnaast dienen als een prognostische marker voor verhoogde mortaliteit. IL-6 is een sterke prognostische marker voor mortaliteit en heeft een betere voorspellende waarde dan CRP en TNF-α. Dit sluit aan bij eerdere literatuur die IL-6 als betrouwbaardere marker van systemische inflammatie en mortaliteit beschrijft. Dit wijst erop dat een hoge inflammatiestatus, waar IL-6 een marker van is, de effectiviteit van voedingsinterventies ondermijnt. IL-6 lijkt een goede marker te zijn om het effect op voedingsinterventie te voorspellen, maar is zeker nog niet ingeburgerd als standaard laboratoriumtest en dus niet algemeen bruikbaar [Wunderle 2025]. De gegevens over de waarde van CRP in dit verband zijn onvoldoende om een aanbeveling te doen.

Ad 3: Het monitoren van het effect van voedingsinterventies
De werkgroep ziet geen argument om biochemische parameters voor dit doel te gebruiken. Het effect van voedingsinterventies wordt afgemeten aan het effect op het gewicht en algehele toestand.

Ad 4: Duidelijkheid over de prognose
Het literatuuronderzoek laat duidelijk zien dat een verlaagd serumalbumine, een verhoogd CRP, een hoge (m)GPS en een hoge NLR gecorreleerd zijn met een hogere kans op sterfte. Dit is bruikbaar voor indeling in prognostische groepen bij onderzoek, maar niet in de individuele situatie. Het Hb is geen goede maat voor de overleving.
Gelet op bovenstaande overwegingen wordt het gebruik van biochemische parameters (CRP, serumalbumine, mGPS, NLR) niet aanbevolen bij de diagnostiek van anorexie en gewichtsverlies in de palliatieve fase.

Meting van spiermassa

Een nauwkeurige beoordeling van de spiermassa en lichaamssamenstelling kan bereikt worden door duale-energie röntgenabsorptiometrie (DEXA), echografie, computertomografie (CT) of magnetische resonantiebeeldvorming (MRI) [Cruz-Jentoft 2019, Han 2018, Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding 2019]. Bio-elektrische impedantieanalyse (BIA) is een handige, draagbare en goedkope gewichtsmeting en kan de vetvrije massa en vetmassa meten. Bij patiënten met kanker kan BIA echter de vetvrije massa onderschatten in vergelijking met DEXA. [Ellegård 2009]. Al deze methoden zijn gevalideerd voor het meten van sarcopenie. Sarcopenie kan gebruikt worden als prognostische biomarker of als uitkomstmaat van het effect van voedings- en/of bewegingsinterventies. Bij patiënten in de palliatieve fase acht de werkgroep het weinig zinvol om spiermassa te meten. Het in kaart brengen van de achteruitgang van spiermassa heeft weinig meerwaarde omdat er geen therapeutische opties zijn ter verbetering. Daarom raadt de werkgroep meting van spiermassa voorlopig alleen aan in studieverband.

Ander aanvullend onderzoek

Op indicatie kan ander aanvullend onderzoek verricht worden, zoals onderzoek van de feces op vet, beeldvormend onderzoek van de buik of een gastroscopie, alleen als dit passend is in de situatie van de patiënt en therapeutische consequenties heeft. In de palliatieve fase zal hier meestal van worden afgezien.

Met behulp van anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel aanvullend onderzoek kan informatie worden verkregen over:

  • voedingsgerelateerde symptomen;
  • voedingsinname;
  • psychosociale problematiek;
  • lichamelijke conditie;
  • het bestaan van ondervoeding. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre er sprake is van starvation type ondervoeding en/of van cachexia type ondervoeding (zie Achtergrond) met inflammatie/metabole stoornissen.
    Inflammatie/metabole veranderingen kunnen niet worden aangetoond door anamnese en lichamelijk onderzoek of op basis van specifieke laboratoriumafwijkingen. Ze worden gediagnosticeerd bij uitsluiting van andere oorzaken. 
    Aan inflammatie/metabole veranderingen moet worden gedacht als: 
    • er sprake is van een onderliggende ziekte (bijv. een pancreascarcinoom) waarvan bekend is dat deze vaak gepaard gaat met metabole veranderingen of er sprake is van vergevorderde ziekte of een korte levensverwachting, en/of 
    • er klachten zijn (zoals anorexie, aversie, snelle verzadiging, gebrek aan eetlust of smaakveranderingen) die wijzen op een metabole ontregeling, en/of er sprake is van gewichtsverlies terwijl er weinig of geen symptomen aanwijsbaar zijn die leiden tot verminderde voedselinname en/of verhoogd verbruik of verlies van voedingsstoffen.
  • Bovengenoemd onderscheid is van belang voor de keuze van de behandeling. Voedingsinterventies zijn vooral aan de orde als er sprake is van starvation (zie module over voedingsinterventies). Vooralsnog wordt laboratoriumonderzoek niet aanbevolen om de mate van inflammatie en daarmee de keuze voor voedingsinterventies te bepalen.
  • sarcopenie.
    Deze informatie is de basis van een multidimensioneel en multidisciplinair plan van aanpak bij de behandeling van anorexie en gewichtsverlies.

Arends J, Bachmann P, Baracos V, et al. ESPEN guidelines on nutrition in cancer patients. Clin Nutr 2017; 36: 11-48.

Arends J, Strasser F, Gonella S, et al. ESMO Guidelines Committee. Electronic address: clinicalguidelines@esmo.org. Cancer cachexia in adult patients: ESMO Clinical Practice Guidelines. ESMO Open 2021; 6: 100092.

Barbosa-Silva MCG. Subjective and objective nutritional assessment parameters: what do they really assess? Curr Opin Clin Nutr Metab Care 11:248–254.

Barbosa-Silva MCG. Subjective and objective nutritional assessment parameters: what do they really assess? Curr Opin Clin Nutr Metab Care 11:248–254.Bischoff SC, Austin P, 

Boeykens K, et al. ESPEN practical guideline: Home enteral nutrition. Clin Nutr 2022; 41: 468-488.

Bland, K.A., et al., Prognostic Markers of Overall Survival in Cancer Patients Attending a Cachexia Support Service: An Evaluation of Clinically Assessed Physical Function, Malnutrition and Inflammatory Status. Nutrition & Cancer, 2021. 73(8): p. 1400-1410.

Boullata JI, Carrera AL, Harvey L, Escuro AA, Hudson L, Mays A, McGinnis C, Wessel JJ, Bajpai S, Beebe ML, Kinn TJ, Klang MG, Lord L, Martin K, Pompeii-Wolfe C, Sullivan J, Wood A, Malone A, Guenter P; ASPEN Safe Practices for Enteral Nutrition Therapy Task Force, American Society for Parenteral and Enteral Nutrition. ASPEN Safe Practices for Enteral Nutrition Therapy [Formula: see text]. JPEN J Parenter Enteral Nutr. 2017 Jan;41(1):15-103.

Bullock, AF, et al., Relationship between markers of malnutrition and clinical outcomes in older adults with cancer: systematic review, narrative synthesis and meta-analysis. European Journal of Clinical Nutrition, 2020. 74(11): p. 1519-1535.

Caillet P, Liuu E, Raynaud Simon A, et al. Association between cachexia, chemotherapy and outcomes in older cancer patients: a systematic review. Clin Nutr 2017; 36: 1473-1482.
Cederholm T, Jensen GL, Ballesteros-Pomar MD, Blaauw R, Correia MITD, Cuerda C, Evans DC, Fukushima R, Ochoa Gautier JB, Gonzalez MC, van Gossum A, Gramlich L, Hartono J, Heymsfield SB, Jager-Wittenaar H, Jayatissa R, Keller H, Malone A, Manzanares W, McMahon MM, Mendez Y, Mogensen KM, Mori N, Muscaritoli M, Nogales GC, Nyulasi I, Phillips W, Pirlich M, Pisprasert V, Rothenberg E, de van der Schueren M, Shi HP, Steiber A, Winkler MF, Barazzoni R, Compher C. Guidance for assessment of the inflammation etiologic criterion for the GLIM diagnosis of malnutrition: A modified Delphi approach. Clin Nutr. 2024 May;43(5):1025-1032.

Cordeiro, LAF, et al., Systemic Inflammation and Nutritional Status in Patients on Palliative Cancer Care: A Systematic Review of Observational Studies. American Journal of Hospice & Palliative Medicine, 2020. 37(7): p. 565-571.

Cruz-Jentoft AJ, Bahat G, Bauer J, et al. Sarcopenia: revised European consensus on definition and diagnosis. Age Ageing 2019; 48: 16–31.
Cushen SJ, Power DG, Ryan AM: Nutrition assessment in oncology. Top Clin Nutr 2015; 30: 103-119.

De Brandt J, Beijers RJHCG, Chiles J, Maddocks M, McDonald MN, Schols AMWJ, Nyberg A. Update on the Etiology, Assessment, and Management of COPD Cachexia: Considerations for the Clinician. Int J Chron Obstruct Pulmon Dis. 2022 Nov 18; 17: 2957-2976.

De Groot LM, Lee G, Ackerie A, et al. Malnutrition screening and assessment in the cancer care ambulatory setting: mortality predictability and validity of the patient-generated subjective global assessment short form (PG-SGA SF) and the GLIM criteria. Nutrients 202; 12: 2287.

de Jorge-Huerta L, Marco-Alacid C, Grande C, Velardo Andrés C. A Narrative Review of the Diagnosis and Treatment of Sarcopenia and Malnutrition in Patients with Heart Failure. Nutrients. 2024 Aug 15;16(16):2717.

Del Fabbro E, Hui D, MD, Zohra Iet al. Associations among hypogonadism, C-reactive protein, symptom burden and survival in male cancer patients with cachexia: a preliminary report J Pain Symptom Manage 2010; 39;1016-1024.

Del Fabbro E, Hui D, MD, Zohra Iet al. Associations among hypogonadism, C-reactive protein, symptom burden and survival in male cancer patients with cachexia: a preliminary report J Pain Symptom Manage 2010; 39;1016-1024.

Demirelli, B, et al., Modified Glasgow Prognostic Score, Prognostic Nutritional Index and ECOG Performance Score Predicts Survival Better than Sarcopenia, Cachexia and Some Inflammatory Indices in Metastatic Gastric Cancer. Nutrition and Cancer, 2021. 73(2): p. 230-238.

Dolan RD, McSorley ST, Horgan PG, Laird B, McMillan DC. The role of the systemic inflammatory response in predicting outcomes in patients with advanced inoperable cancer: systematic review and meta-analysis. Crit Rev Oncol Hematol 2017; 116: 134-146.

Elia M. The “MUST” report. Nutritional screening for adults: a multidisciplinary responsibility. 
Development and use of the “Malnutrition Universal Screening Tool” (“MUST”) for adults. A report by the Malnutrition Advisory Group of the British Association for Par. Redditch, England, UK; 2003.

Ellegård LH, Bosaeus IG. Biochemical indices to assess nutritional support for malignant disease. Clinica Chimica Acta 390 (2008) 23–27.

Ellegård LH, Ahlén M, Körner U, et al. Bioelectric impedance spectroscopy underestimates fat-free mass compared to dual energy X-ray absorptiometry in incurable cancer patients. Eur J Clin Nutr 2009; 63:794.

Evans DC, Corkins MR, Malone A, et al. The use of visceral proteins as nutrition markers: an ASPEN position paper. Nutr Clin Prac 2021; 36: 22-28.

Fearon KC, Voss AC, Hustead DS. Definition of cancer cachexia: effect of weight loss, reduced food intake, and systemic inflammation on functional status and prognosis. Am J Cl Nutr 2006; 83: 1345-1350.

Fearon KC, Voss AC, Hustead DS. Definition of cancer cachexia: effect of weight loss, reduced food intake, and systemic inflammation on functional status and prognosis. American Journal of Clinical Nutrition 2006; 83: 1345-1350.

Ferraz-Goncalves, JA, et al., Factors Associated with Long Survival in Patients with Cancer Admitted to Palliative Care: An Exploratory Study. Journal of Palliative Care, 2024. 39(3): p. 244-252.

Fruchtenicht, AV, et al., Nutritional risk assessment in critically ill cancer patients: systematic review. Revista Brasileira de Terapia Intensiva, 2015. 27(3): p. 274-83.

Fuchs, C., et al. Prognostic factor analysis of overall survival in gastric cancer from two phase iii studies of second-line ramucirumab (REGARD and RAINBOW) using pooled patient data. Journal of gastric cancer, 2017. 17, 132‐144 DOI: 10.5230/jgc.2017.17.e16.

Gagnon, B., et al., Cancer anorexia-cachexia syndrome is characterized by more than one inflammatory pathway. Journal of Cachexia, Sarcopenia and Muscle, 2024. 15(3): p. 1041-1053.

Guo, ZQ, et al., Survey and analysis of the nutritional status in hospitalized patients with malignant gastric tumors and its influence on the quality of life. Supportive Care in Cancer, 2020. 28(1): p. 373-380.

Guthrie GJ, Charles KA, Roxburgh CS, et al. The systemic inflammation-based neutrophil-lymphocyte ratio: experience in patients with cancer. Crit Rev Oncol Hematol 2013; 88: 218-230.

Han A, Bokshan SL, Marcaccio SE, DePasse JM, Daniels AH. Diagnostic criteria and clinical outcomes in sarcopenia research: a literature review. J Clin Med 2018; 7: 70.

Heyland DK, Dhaliwal R, Jiang X, Day AG. Identifying critically ill patients who benefit the most from nutrition therapy: the development and initial validation of a novel risk assessment tool. Crit Care 2011; 15: R268.

Hilal, Z, et al., Nutritional status, cachexia, and anorexia in women with peritoneal metastasis and intraperitoneal chemotherapy: a longitudinal analysis. Journal of Gynecologic Oncology, 2017. 28(6): p. e80.

Hou, YC, et al., The Differential Clinical Impacts of Cachexia and Sarcopenia on the Prognosis of Advanced Pancreatic Cancer. Cancers, 2022. 14(13).

Ingenbeek Y, Carpentier Y. Prognostic inflammatory and nutritional index scoring critically ill patients. Internat J Vit Nutr 1985; 55: 91-101.

Inoue, H, et al., Absolute lymphocyte count and C-reactive protein-albumin ratio can predict prognosis and adverse events in patients with recurrent esophageal cancer treated with nivolumab therapy. Oncology Letters, 2022. 24(2).

Ishihara, H, et al., Sarcopenia and the Modified Glasgow Prognostic Score are Significant Predictors of Survival Among Patients with Metastatic Renal Cell Carcinoma Who are Receiving First-Line Sunitinib Treatment. Targeted Oncology, 2016. 11(5): p. 605-617.

Jafri, SHR, et al., Cachexia index in advanced non-small-cell lung cancer patients. Clinical Medicine Insights: Oncology, 2015. 9: p. 87-93.

Jensen GL, Cederholm T, Ballesteros-Pomar MD, et al. Guidance for assessment of the inflammation etiologic criterion for the GLIM diagnosis of malnutrition: a modified Delphi approach. JPEN 2024; 48: 145-154.

Keller U. Nutritional laboratory markers in malnutrition. J Clin Med 2019; 8: 6.
Keogh E, Mark Williams E. Managing malnutrition in COPD: A review. Respir Med. 2021 Jan;176:106248.

Kruizenga HM, De Vet HCW, Van Marissing CME, Stassen EEPM, Strijk JE, Van Bokhorst-
Kruizenga HM, Seidell JC, de Vet HCW, Wierdsma NJ, van Bokhorst-de van der Schueren MAE. Development and validation of a hospital screening tool for malnutrition: The short nutritional assessment questionnaire (SNAQ©). Clin Nutr 2005; 24: 75–82.

Lai P, Sud S, Zhang T, Asmis T, Wheatley-Price P. Palliative chemotherapy in advanced colorectal cancer patients 80 years of age and older. Curr Oncol. 2016; 23: 144–53

Laird, BJ, et al., Prognostic factors in patients with advanced cancer: A comparison of clinicopathological factors and the development of an inflammation-based prognostic system. Clinical Cancer Research, 2013. 19(19): p. 5456-5464.

Leistra E, Langius JAE, Evers AM, van Bokhorst-de van der Schueren MAE, Visser M, de Vet HCW, et al. Validity of nutritional screening with MUST and SNAQ in hospital outpatiënts. Eur J Clin Nutr 2013; 67: 738–42.

Liposits, G, et al., The Prognostic Value of Pre-Treatment Circulating Biomarkers of Systemic Inflammation (CRP, dNLR, YKL-40, and IL-6) in Vulnerable Older Patients with Metastatic Colorectal Cancer Receiving Palliative Chemotherapy—The Randomized NORDIC9-Study. Journal of Clinical Medicine, 2022. 11(19).

Mao, T, et al., The relationship between nutritional status and prognosis in advanced gastrointestinal cancer patients in palliative care: a prospective cohort study. Supportive Care in Cancer, 2024. 32(10): p. 697.

Martin, L, et al., Diagnostic criteria for cancer cachexia: reduced food intake and inflammation predict weight loss and survival in an international, multi-cohort analysis. Journal of Cachexia, Sarcopenia and Muscle, 2021. 12(5): p. 1189-1202.

Mcluskie A, Bowers M, Bayly J, Yule MS, Maddocks M, Fallon M, Skipworth RJ, Laird BJA. Nutritional interventions in randomized clinical trials for people with incurable solid cancer: A systematic review. Clin Nutr. 2025 Jan; 44: 201-219.

McMillan DC. Systemic inflammation, nutritional status and survival in patients with cancer. Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2009; 12: 223-226.

Miyashita, N, et al., Prognostic factors in patients in the terminal phase of ematological malignancies who are receiving home medical care. British Journal of Haematology, 2023. 201(2): p. 290-301.

Multidisciplinaire Richtlijn Ondervoeding (2019). Herkenning, diagnosestelling en behandeling van ondervoeding bij volwassenen. (Richtlijn-Ondervoeding-herkenning-diagnosestelling-en-behandeling-van-ondervoeding-bij-volwassenen-februari-2019)

Murata, D, et al., Survival and biomarkers for cachexia in non-small cell lung cancer receiving immune checkpoint inhibitors. Cancer Medicine, 2023. 12(19): p. 19471-19479.

Muscaritoli M, Arends J, Bachmann P, et al. ESPEN practical guideline: clinical nutrition in cancer. Clin Nutr 2021; 40: 2898–2913.

Namikawa, T, et al., Frequency and prognostic impact of cachexia during drug treatment for unresectable advanced gastric cancer patients. Surgery Today, 2022. 52(11): p. 1560-1567.

Nelson KA, Walsh D. The cancer anorexia-cachexia syndrome: a survey of the prognostic inflammatory and nutritional Index (PINI) in advanced disease. J Pain Symptom Manage 2002; 24; 424-428.

Nelson KA, Walsh D. The cancer anorexia-cachexia syndrome: a survey of the prognostic inflammatory and nutritional Index ( PINI) in advanced disease. J Pain Symptom Manage 2002; 24; 424-428.

Okano, N, et al., The modified Glasgow prognostic score in patients with gemcitabine-refractory biliary tract cancer. Anticancer Research, 2018. 38(3): p. 1755-1761.

Omlin A, Blum D, Wierecky J, et al. Nutrition impact symptoms in advanced cancer patients: frequency and specific interventions, a case-control study. J Cachexia Sarcopenia Muscle 2013; 4: 55-61.

Öztop, H, et al., Effect of Hemoglobin, Albumin, Lymphocyte Count, and Platelet (HALP) Score on Survival of Patients with Metastatic Thyroid Cancer Treated with Tyrosine Kinase Inhibitors. Journal of Clinical Medicine, 2025. 14(4).

Pan, J, et al., Combination of body mass index and albumin predicts the survival in metastatic castration-resistant prostate cancer patients treated with abiraterone: A post hoc analysis of two randomized trials. Cancer Medicine, 2021. 10(19): p. 6697-6704.

Park, JS, et al., Association between early nutritional risk and overall survival in patients with advanced pancreatic cancer: A single-center retrospective study. Clinical Nutrition ESPEN, 2019. 30: p. 94-99.

Pumtako, C, et al., The Global Leadership Initiative on Malnutrition (GLIM) inflammation criteria to predict survival in patients with advanced cancer: A prospective cohort study. Clinical Nutrition ESPEN, 2025. 67: 344-352.

Read JA, Choy ST, Beale PJ, Clarke SJ. Evaluation of nutritional and inflammatory status of advanced colorectal cancer patients and its correlation with survival. Nutr Cancer. 2006;55(1):78-85

Richtlijn COPD. https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/copd/startpagina_-_copd.html

Roeland EJ, Bohlke K, Baracos VE, et al. Management of cancer cachexia: ASCO guideline. J Clin Oncol 2020; 38: 2438–2453.

Roncolato, FT, et al., Validation of the modified Glasgow Prognostic Score (mGPS) in recurrent ovarian cancer (ROC) – Analysis of patients enrolled in the GCIG Symptom Benefit Study (SBS). Gynecologic Oncology, 2018. 148(1): p. 36-41.

Rubenstein LZ, Harker JO, Salvà a, Guigoz Y, Vellas B. Screening for undernutrition in geriatric practice: developing the short-form mini-nutritional assessment (MNA-SF). J Gerontol A Biol Sci Med Sci 2001; 56: M366–72.

Sanchez-Lara, K, et al., Association of nutrition parameters including bioelectrical impedance and systemic inflammatory response with quality of life and prognosis in patients with advanced non-small-cell lung cancer: a prospective study. Nutrition & Cancer, 2012. 64(4): p. 526-34.

Sarhill N, Mahmoud FA, Christie R, Tahir A. Assessment of nutritional status and fluid deficits in advanced cancer. Am J Hosp Palliat Care. 2003; 20:465-473.

Shimura, T, et al., C-reactive protein is a potential prognostic factor for metastatic gastric cancer. Anticancer Research, 2012. 32(2): p. 491-496.

Soeters PB, Schols AMWJ. Advances in understanding and assessing malnutrition. Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2009; 12:487–494.

Soria Rivas A, Escobar Álvarez Y, Blasco Cordellat A, Majem Tarruella M, Molina Mata K, Motilla de la Cámara M, Del Mar Muñoz Sánchez M, Zafra Poves M, Beato Zambrano C, Cabezón Gutierrez L. SEOM clinical guidelines for cancer anorexia-cachexia syndrome (2023). Clin Transl Oncol. 2024 Nov;26(11):2866-2876.

Souza Cunha, M., et al., Relationship of nutritional status and inflammation with survival in patients with advanced cancer in palliative care. Nutrition, 2018. 51-52: p. 98-103.

Stenman, M, A. Laurell, and M. Lindskog, Prognostic significance of serum albumin in patients with metastatic renal cell carcinoma. Medical Oncology, 2014. 31(3): p. 841.
Sun, H, et al., Clinical Prognostic Factors During the Last One Month of Life in Terminally Ill Cancer Patients: A Retrospective Observational Study. Journal of the College of Physicians and Surgeons Pakistan, 2023. 33(1): p. 10-14.

Suzuki, R, et al., Prognostic significance of pretreatment total lymphocyte count and neutrophil-to-lymphocyte ratio in extensive-stage small-cell lung cancer. Radiotherapy & Oncology, 2018. 126(3): p. 499-505.

Tan, CSY, et al., The relationship between nutritional status, inflammatory markers and survival in patients with advanced cancer: a prospective cohort study. Supportive Care in Cancer, 2015. 23(2): p. 385-391.

Tang, M, et al., The Geriatric Nutritional Risk Index Predicts Overall Survival in Geriatric Patients with Metastatic Lung Adenocarcinoma. Nutrition & Cancer, 2020: p. 1-9.
Templeton AJ, McNamara MG, Seruga B. Prognostic role of neutrophil-to-lymphocyte ratio in solid tumors: a systematic review and meta-analysis. J Natl Cancer Inst 2014; 106: dju124.

Thompson, JJ, et al., The prognostic value of a laboratory cachexia score (LCAS) defined by LDH, CRP and albumin in patients with advanced lung cancer. BMC Cancer, 2025. 25(1): p. 543.

Unek, IT, et al., Prognostic factors and prognostic index for patients with advanced pancreatic cancer: Single center experience and review of the literature. Journal of B.U.ON., 2021. 26(6): p. 2484-2495.

van der Baan FH, Koldenhof JJ, de Nijs EJ, Echteld MA, Zweers D, Hesselmann GM, Vervoort SC, Vos JB, de Graaf E, Witteveen PO, Suijkerbuijk KP, de Graeff A, Teunissen SC. Validation of the Dutch version of the Edmonton Symptom Assessment System. Cancer Med. 2020 Sep;9(17):6111-6121.

Van Der Schueren MAE, et al. The SNAQRC, an easy traffic light system as a first step in the recognition of undernutrition in residential care. J Nutr Heal Aging 2009; 1–7.

Vernerey, D, et al., Prognostic nomogram and score to predict overall survival in locally advanced untreated pancreatic cancer (PROLAP). British Journal of Cancer, 2016. 115(3): p. 281-289.

Wallengren O, Lundholm K, Bosaeus I. Diagnostic criteria of cancer cachexia: relation to quality of life, exercise capacity and survival in unselected palliative care patients. Support Care Cancer 2013; 21: 1569-1577.

Wallengren, O, K. Lundholm, and I. Bosaeus, Diagnostic criteria of cancer cachexia: relation to quality of life, exercise capacity and survival in unselected palliative care patients. Supportive Care in Cancer, 2013. 21(6): p. 1569-77.

Walsh D, Mahmoud F, Barna B. Assessment of nutritional status and prognosis in advanced cancer: interleukin-6, C-reactive protein, and the prognostic and inflammatory nutritional index. Support Care Cancer 2003; 11: 60-62.

Wijnhoven H, Schilp J, van Bokhorst-de van der Schueren M, de Vet HCW, Kruizenga HM, Deeg DJH, et al. Development and validation of criteria for determining undernutrition in community-dwelling older men and women: The Short Nutritional Assessment Questionnaire 65 +. Clin Nutr 2012; 31: 351–8.

Wu, CY, et al., Nutritional status at diagnosis is prognostic for pharyngeal cancer patients: a retrospective study. European Archives of Oto-Rhino-Laryngology, 2022. 279(7): p. 3671-3678.

Wunderle C, Gomes F, Schuetz P, et al. ESPEN guideline on nutritional support for polymorbid medical inpatients. Clin Nutr 2023; 42: 1545-1568.

Wunderle C, Martin E, Wittig A, Tribolet P, Lutz TA, Köster-Hegmann C, Stanga Z, Mueller B, Schuetz P. Comparison of the inflammatory biomarkers IL- 6, TNF-α, and CRP to predict the effect of nutritional therapy on mortality in medical patients at risk of malnutrition : A secondary analysis of the randomized clinical trial EFFORT. J Inflamm (Lond). 2025 Apr 24;22(1):16. doi: 10.1186/s12950-025-00442-0. PMID: 40275239; PMCID: PMC12023447.

Yavuzsen T, Walsh D, Davis MP, Kirkova J, Jin T, LeGrand S, Lagman R, Bicanovsky L, Estfan B, Cheema B, Haddad A. Components of the anorexia-cachexia syndrome: gastrointestinal symptom correlates of cancer anorexia. Support Care Cancer. 2009 Dec;17(12):1531-41.

Yoshikawa, N, et al., Hypoalbuminemia for the prediction of survival in patients with stage IVB cervical cancer. PLoS ONE [Electronic Resource], 2022. 17(9): p. e0273876.
Yule, M.S., et al., Biomarker endpoints in cancer cachexia clinical trials: Systematic Review 5 of the cachexia endpoint series. Journal of Cachexia, Sarcopenia and Muscle, 2024. 15(3): p. 853-867.

Zhang, M, et al., Nutritional risk screening in malignant tumors: a study of 375 cancer inpatients. Supportive Care in Cancer, 2022. 30(10): p. 8333-8337.

Zhao H, Wu L, Yan G, et al. Inflammation and tumor progression: signaling pathways and targeted intervention. Signal Transduct Target Ther 2021; 6:

Zhou T, Yang K, Thapa, S, et al. Differences in symptom burden among cancer patients with different stages of cachexia. J Pain Sympt Manag 2017; 53: 919-926.