Inleiding

Slaap is een periodiek optredende toestand van rust van het organisme, die gepaard gaat met een verlaging van het bewustzijn en als gevolg daarvan het ontbreken van contact met de buitenwereld. In deze toestand komen ook dromen voor. Men kan op elk moment gewekt worden.

Slaapproblemen komen vaak voor in de palliatieve fase. Er moet hierbij onderscheid gemaakt worden tussen slaapproblemen als symptoom (een door de patiënt ervaren probleem met het slapen) en slaapproblemen als uiting van een slaapstoornis (dyssomnia), zoals gedefinieerd door de DSM-IV-TR. Criteria voor een slaapstoornis zijn dat het slaapprobleem leidt tot een verstoring van het lichamelijk, sociaal en/of beroepsmatig functioneren overdag en dat de klachten ten minste één maand aanwezig zijn. Een slaapstoornis kan primair zijn of een uiting van een lichamelijke ziekte, van medicatie c.q. middelen, een psychisch probleem of een psychiatrische stoornis. Slaapstoornissen worden in vier groepen onderverdeeld: insomnia (te weinig slaap), hypersomnia (te veel slaap en overmatige slaperigheid), circadiane stoornissen (stoornissen van het slaap-waakritme, bijvoorbeeld als men veel te laat naar bed gaat en veel te lang slaapt) en parasomnia (verschijnselen die niet in de slaap horen, zoals slaapwandelen, praten in de slaap, bedplassen, nachtmerries en nachtangsten).

In de palliatieve fase is met name de insomnia van belang. Bij insomnia wordt onderscheid gemaakt tussen moeilijk inslapen, moeilijk doorslapen en vroeg wakker worden. Daarnaast is de ervaren kwaliteit van de slaap van belang. In de palliatieve fase van de ziekte kanker komen doorslaapproblemen het meeste voor (63%), gevolgd door problemen met inslapen (40%) en te vroeg wakker worden (37%). Bij 59% van de patiënten met kanker en slaapproblemen is er sprake van een combinatie van bovengenoemde slaapproblemen.
Slaapproblemen kunnen grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van leven. Ze kunnen leiden tot c.q. bijdragen aan vermoeidheid, verminderd vermogen tot het omgaan met stress, verstoring van het cognitief functioneren overdag, anhedonie (niet kunnen genieten), stemmingsstoornissen en een verminderd functioneren van het immuunsysteem. Verder kunnen slaapproblemen de beleving van andere symptomen (bijv. pijn) in negatieve zin beïnvloeden.

De patiënt vertelt zijn slaapproblemen vaak niet spontaan. Desondanks vinden patiënten het belangrijk dat zorgverleners hier aandacht aan besteden.

Het meeste onderzoek over slaapproblemen bij patiënten in de palliatieve fase is verricht bij patiënten met kanker. Er is echter ook literatuur over slaapproblemen bij COPD, hartfalen en Amyotrofische laterale sclerose (ALS). De meeste aanbevelingen in deze richtlijn zijn gebaseerd op onderzoek bij primaire slaapstoornissen en bij slaapstoornissen bij patiënten met kanker in de curatieve fase.

Vernieuwde weergave Pallialine
Zoals u ziet heeft Pallialine een nieuw uiterlijk gekregen. Aan de inhoud van de richtlijnen is niets gewijzigd.