Symptomen en syndromen

Uitgangsvragen 

  • Wat wordt verstaan onder een symptoom?
  • Wat zijn de meest voorkomende symptomen bij patiënten met kanker in de palliatieve fase en bij patiënten met COPD, hartfalen en nierfalen in het jaar voorafgaande aan het overlijden?

Een symptoom is te definiëren als ‘een door de patiënt aangegeven klacht op lichamelijk, psychisch, sociaal en/of existentieel gebied als uiting of gevolg van een onderliggende ziekte' [Vissers 2010]. In deze definitie ligt het subjectieve karakter van een symptoom besloten: de patiënt bepaalt waar hij last van heeft en hoe erg dat is. In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • ‘symptoms' (de klacht van de patiënt), en
  • ‘signs' (objectief waarneembare tekenen of uitingen van een symptoom). De ‘signs' bij kortademigheid kunnen bijvoorbeeld zijn een snelle ademhaling, cyanose of het gegeven dat een patiënt niet in staat is om volledige zinnen uit te spreken vanwege zijn kortademigheid. In het Nederlands bestaat geen goed equivalent voor ‘sign'.

De subjectieve beleving, ofwel de ernst en de betekenis die de patiënt aan het symptoom toekent, en de context van het symptoom bepalen de mate van symptoomlijden.
Aan een symptoom is een aantal dimensies te onderscheiden: [Chang 2009, Vissers 2010]

  • lichamelijk:
    • pathofysiologisch: het mechanisme dat tot het symptoom leidt
    • sensorisch: de gewaarwording van het symptoom
    • functioneel: de gevolgen van het symptoom voor het fysiek funtioneren
  • psychologisch:
    • affectief: de emotionele problemen die ontstaan door, samengaan met of van invloed zijn op het symptoom
    • cognitief: begrip van het symptoom en gedachten hierover
  • sociaal: 
    • gedrag en interactie met de eigen omgeving
    • functionele gevolgen van het niet meer kunnen vervullen van rollen in het eigen sociale systeem
  • existentieel c.q. spiritueel: gedachten, gevoelens en vragen die het symptoom oproept ten aanzien van de persoonlijke zin- en betekenisgeving die verbonden zijn met het ziekteverloop en het levenseinde.

Zo kan uitgebreide longmetastasering (pathofysiologische dimensie) leiden tot een ernstige mate van ervaren kortademigheid (sensorische dimensie). De patiënt past zijn lichamelijke activiteiten aan. Dit leidt tot veranderingen van de sociale rol van de patiënt en de naasten (sociale dimensie). De gedachte te kunnen gaan stikken (cognitieve dimensie), kan aanleiding zijn voor gevoelens van angst (affectieve dimensie). Het levensbedreigende karakter van het symptoom confronteert de patiënt met het naderende levenseinde (existentiële of spirituele dimensie).

Een syndroom is een samenhangend geheel van symptomen met een gemeenschappelijke ontstaanswijze. Voorbeelden zijn het anorexie-cachexie-syndroom (zie richtlijn 'Anorexie en gewichtsverlies') en het delier (zie richtlijn 'Delier'). De hoeveelheid en de ernst van symptomen nemen vaak toe naarmate de ziekte voortschrijdt.

In tabel 2 staat een overzicht van de prevalentie van de meest voorkomende symptomen in de palliatieve en de terminale fase van de ziekte kanker [Teunissen 2007]. Vermoeidheid, pijn, gebrek aan energie, zwakte en gebrek aan eetlust komen bij meer dan 50% van de patiënten voor. In de terminale fase treedt een verschuiving op: vermoeidheid, zwakte, gewichtsverlies, sufheid en verwardheid doen zich (nog) vaker voor, terwijl de prevalentie van pijn afneemt. 

Tabel 2. Prevalentie van symptomen bij patiënten met kanker in de palliatieve en de terminale fase [Teunissen 2007]
Symptoom Prevalentie Prevalentie in de laatste 1-2 weken
Vermoeidheid 74% 88%
Pijn  71% 45%
Gebrek aan energie 69%  
Zwakte 60% 74%
Gebrek aan eetlust  53% 56%
Gespannenheid 48%  
Gewichtsverlies  46% 86%
Droge mond 40% 34%
Somberheid 39% 19%
Obstipatie 37% 29%
Zich zorgen maken 36%  
Slaapproblemen 36% 14%
Kortademigheid 35% 39%
Misselijkheid 31% 17%
Angst 30% 30%
Prikkelbaarheid 30% 7%
Opgeblazen gevoel 29%  
Hoesten 28% 14%
Cognitieve symptomen 28%  
Snelle verzadiging 23%  
Smaakveranderingen 22%  
Pijn in de mond  20%  
Braken  20% 13%
Sufheid  20% 38%
Oedeem  19% 8%
Mictieklachten 18% 6%
Duizeligheid 17% 7%
Dysfagie 17% 16%
Verwardheid 16% 24%
Bloedingen 15% 12%
Neurologische klachten 15% 32%
Heesheid 14%  
Dyspepsie 12% 2%
Huidsymptomen 11% 16%
Diarree  11% 6%
Jeuk  10%  
Hik  7%   

In tabel 3 staat een overzicht van de symptoomprevalentie bij hartfalen en COPD [Janssen 2008]. Vermoeidheid en kortademigheid zijn hierbij de meest voorkomende symptomen.

Tabel 3. Prevalentie van symptomen bij patiënten met en gevorderd stadium van hartfalen, COPD en nierfalen [Janssen 2008]
  Hartfalen COPD Nierfalen
  Laatste jaar Laatste 1-2 weken Laatste jaar Laatste 1-2 jaar Laatste jaar Laatste 1-2 jaar 
Vermoeidheid 69% 78% 68% 80% 82%  
Kortademigheid 72% 62% 94% 90% 52% 34%
Slaapproblemen 45%   65% 51% 47%  
Pijn 41% 42% 68% 49% 52% 49%
Klachten van de mond 27%   63% 48% 52%  
Hoesten 35%   70% 52% 47%  
Gebrek aan eetlust 31%   51% 64% 48%  
Somberheid 23%   59% 55% 26% 25%
Angst 30%   53%   27% 25%
Obstipatie 37%   36% 25% 28%  
Verwardheid 29% 17% 23% 22%   26%
Misselijkheid 25% 20% 4%   39% 13%
Oedeem  39% 43%     55% 21%
Duizeligheid 21% 35%     44%  
Jeuk  12%       62% 22%

Goede diagnostiek en behandeling van symptomen vergen een gestructureerde en multidimensionele benadering; dat wil zeggen een benadering waarbij alle dimensies aandacht krijgen. In veel gevallen vraagt dit om betrokkenheid van diverse zorgverleners (bijv. arts, verpleegkundige, diëtist, fysiotherapeut, maatschappelijk werkende, psycholoog en/of geestelijk verzorger).

Een symptoom is ‘een door de patiënt aangegeven klacht op lichamelijk, psychisch, sociaal en/of existentieel gebied als uiting of gevolg van een onderliggende ziekte'. [Vissers 2010]

Aan een symptoom worden verschillende dimensies onderscheiden: pathofysiologisch, sensorisch, emotioneel, cognitief, sociaal en existentieel c.q. spiritueel. [Chang 2009, Vissers 2010]

Een syndroom is een samenhangend geheel van symptomen met een gemeenschappelijke ontstaanswijze. [Vissers 2010]

Vermoeidheid, pijn, gebrek aan energie,  zwakte en gebrek aan eetlust komen bij meer van de helft van de patiënten met kanker in de palliatieve fase voor. [Teunissen 2007]

Kortademigheid en vermoeidheid komen bij meer dan de helft van de patiënten met een vergevorderd stadium van hartfalen voor. [Janssen 2008]

Kortademigheid, vermoeidheid, pijn, hoesten, slaapproblemen, klachten van de mond, somberheid, angst en gebrek aan eetlust komen bij meer dan de helft van de patiënten met een vergevorderd stadium van COPD voor. [Janssen 2008]

Vermoeidheid, jeuk, oedeem, kortademigheid, pijn en klachten van de mond komen bij meer dan de helft van de patiënten met een vergevorderd stadium van nierfalen voor. [Janssen 2008]

Vernieuwde weergave Pallialine
Zoals u ziet heeft Pallialine een nieuw uiterlijk gekregen. Aan de inhoud van de richtlijnen is niets gewijzigd.