Diagnostiek
Deze module beschrijft welke diagnostiek kan worden uitgevoerd bij patiënten in de palliatieve fase, rekening houdend met de levensverwachting, behoeften en wensen van de patiënt. Palliatieve zorg bij COPD valt buiten deze module, zie hiervoor de richtlijn Palliatieve zorg bij COPD, module Hoesten.
Uitgangsvraag
Welke diagnostiek (anamnese, lichamelijk onderzoek, aanvullend onderzoek) wordt verricht bij patiënten met hoesten in de palliatieve fase?
Aanbevelingen
Algemeen
- Verricht bij alle patiënten met hoesten in de palliatieve fase een anamnese en lichamelijk onderzoek.
- Vraag de patiënt naar al genomen maatregelen tegen de hoesten en het effect daarvan.
- Vraag de patiënt naar medicatiegebruik (Anamnese) en pas indien mogelijk toedieningsvorm of dosering aan met het oog op veranderde doelstelling van behandeling in de palliatieve fase en beoordeel of het medicament gestaakt kan worden (bijv. staken van ACE-remmer bij indicatie hypertensie).
- Bespreek met de patiënt de impact van het hoesten op de vier dimensies: lichamelijk (spierpijn, vermoeidheid, incontinentie, kokhalzen en braken), psychologisch (angst, depressie), sociaal (isolatie, relationeel, werk gerelateerd) en spiritueel (zingeving) van de patiënt.
Dysfagie
- Wees bij patiënten met een neurologische aandoening alert op slikproblemen als oorzaak van hoesten. Zie ook de richtlijn 'Mondproblemen en Slikstoornissen in de palliatieve fase' [stichting PZNL, 2025].
Aanvullend onderzoek
- Verricht alleen aanvullend onderzoek als het therapeutische consequenties heeft en als het proportioneel is in het licht van de prognose, wensen en verwachtingen van de patiënt.
- Bespreek met patiënt de voor- en nadelen van aanvullend onderzoek en neem samen het besluit om wel of niet te onderzoeken.
Een oriënterende literatuursearch is op 25 november 2024 uitgevoerd. Er werden geen geschikte artikelen gevonden. De informatie in deze module is gebaseerd op de oude richtlijn Hoesten in de palliatieve fase [IKNL, 2010, die wordt vervangen door de huidige richtlijn], op aanvullende literatuur en op basis van expert opinie.
Literatuursamenvatting
Niet van toepassing.
Overwegingen – van bewijs naar aanbeveling
In tabel 1 worden de oorzaken van hoesten beschreven waaraan de zorgverlener kan denken bij uitvragen en diagnosticeren bij hoesten in de palliatieve fase.
Tabel 1. Mogelijke oorzaken van hoesten in de palliatieve fase
Anamnese
Vraag naar de duur, ernst en aard van hoesten (treedt hoesten vooral op tijdens of na eten en drinken) en overige klachten (nasaal, pulmonaal, gastro-intestinaal). Vraag bij een productieve hoest naar de hoeveelheid, kleur en bloedbijmenging van het sputum. Vraag naar pijn bij hoesten of zuchten. Vraag naar bijkomende klachten bijvoorbeeld dyspneu of hoesten in liggende houding (orthopnoe).Vraag naar de voorgeschiedenis en co-morbiditeit, roken en allergenen (zie ook module Diagnostiek van chronische hoest). Vraag naar het medicatiegebruik (met aandacht voor ACE-remmers, benzodiazepines, methotrexaat, NSAID's). Mensen die in het verleden een beroerte doormaakten, jonge mensen met een spierziekte, veroudering bij niet aangeboren hersenletsel (NAH), en ook mensen met dementie of de ziekte van Parkinson hebben meer kans dat er in het verloop van hun ziekte door dysfagie hoesten ontstaat. Vraag gericht bij verdenking refluxpathologie als onderliggende oorzaak naar heesheid, oprispingen, zuurbranden, hoesten tot 30 minuten na het eten, en meer hoesten bij liggende houding.
Zijn er aanwijzingen voor dysfagie waardoor hoesten ontstaat?
Vraag dan naar (richtlijn Mondproblemen en slikstoornissen in de palliatieve fase)
- eerdere diagnosen van (aspiratie)pneumonie;
- (bepaalde soorten) voeding weigeren;
- hoesten tijdens of rond de inname van voeding en drank;
- zeer lang kauwen of niet kunnen kauwen;
- ongewenst gewichtsverlies;
- dehydratie;
- speekselverlies (kwijlen).
Impact van hoesten op kwaliteit van leven
De impact op de patiënt dient onderzocht te worden voor vier dimensies: lichamelijk (spierpijn, vermoeidheid, incontinentie, kokhalzen en braken), psychologisch (angst, depressie), sociaal (isolatie, relationeel, werk gerelateerd) en spiritueel (zingeving). Hoesten kan slaap- en eetpatronen beïnvloeden en verergert bestaande klachten zoals pijn, kortademigheid, misselijkheid, braken, depressie en incontinentie [Bali, 2024; Ueda, 2022]. Daarnaast heeft hoesten impact op de kwaliteit van leven van de naasten van de patiënt, omdat hoesten interfereert met slapen en sociale activiteiten zoals samen praten, eten, uitgaan. Dit is vaak een belangrijk sociaal-emotioneel aspect voor patiënt en naasten.
Lichamelijk onderzoek
Het lichamelijk onderzoek geeft aanvullende informatie over de ernst van hoesten en over de mogelijke oorzaken. Het lichamelijk onderzoek kan omvatten:
Algemene indruk:
- sufheid
- kleur van huid en slijmvliezen: bleekheid, cyanose
- stridor
- gebruik hulpademhalingsspieren
- lip-tuiten
- kunnen spreken van volzinnen
- cachexie
Meten van vitale parameters:
- bloeddruk
- polsfrequentie, pulsus paradoxus
- ademhalingsfrequentie en -patroon
- temperatuur
- gewicht
Onderzoek van de hals:
-
stuwing van de halsvenen
Onderzoek van de thorax:
- inspectie: ademexcursies linker en rechter hemithorax, lokaal verminderde expansie, vaattekening thoraxwand
- percussie: (hyper)sonoor of gedempt, hoogstand diafragma, verschuifbaarheid longgrens
- auscultatie longen: verlengd expirium, piepende ademhaling, verminderd ademgeruis, crepitaties, rhonchi, pleurawrijven
- auscultatie hart: harttonen, souffles, ritme, pericardwrijven
Onderzoek abdomen:
- tekenen van ascites
- hepatomegalie
Onderzoek extremiteiten:
- oedeem
- tekenen van trombose
Onderzoek dysfagie:
Let bij verdenking op dysfagie op (uit richtlijn Orofaryngeale dysfagie, bijlage alarmsymptomen en verwijscriteria):
- opvallend frequent keelschrapen;
- ‘natte’ borrelige stem;
- dysartrie;
- voedselresten in de mondholte na doorslikken/na het eten.
- Voer een watersliktest uit. Dit is een eenvoudige test waarbij de patiënt rechtop zit en coöperatief dient te zijn en een slokje water slikt waarna je observeert en beoordeelt of er sprake is van dysfagie (zie richtlijn Orofaryngeale dysfagie en de richtlijn Slikproblemen).
Aanvullend onderzoek
De werkgroep benadrukt dat er rekening dient gehouden te worden met de therapeutische consequenties, prognose, wensen en verwachtingen van de patiënt, de proportionaliteit (minst belastend middel) en subsidiariteit (minst ingrijpend middel om tot een bepaald doel te komen) van het onderzoek.
Op indicatie kan aanvullend onderzoek plaatsvinden:
- Beeldvorming: X-thorax, CT-scan thorax, CT-angiografie (bij verdenking o.a. infectie, tumorobstructie of longembolie);
- Sputumkweek (bij verdenking infectie);
- Diagnostische pleurapunctie (ter bepaling infectie, inflammatie, tumor of therapie gerelateerd); flexibele endoscopische evaluatie slikken (FEES) bij dysfagie.
Bali V, Schelfhout J, Sher MR, Peters AT, Patel GB, Mayorga M, Goss D, DeMuro Romano C. Patient-reported experiences with refractory or unexplained chronic cough: a qualitative analysis. Ther Adv Respir Dis 2024; 18: 17534666241236025.
Ueda N, Yakushiji A, Schelfhout J, Tokita S, Kubo T. Impact of refractory and unexplained chronic cough on disease burden: a qualitative study. BMC Pulm Med 2022; 22: 372.