Vriend(in) of dokter?
Publicatie

Vriend(in) of dokter?

  • Datum publicatie 8 februari 2021
  • Auteur Marjan Oortman
  • Organisatie e-pal
Contactpersoon
Laatst geactualiseerd: 8 februari 2021

In het privéleven is het voor veel artsen moeilijk te bepalen in hoeverre ze zich moeten mengen in gesprekken over ziekte en gezondheid van hun naasten. Onze vrienden en familie kunnen immers tijdens zulke gesprekken ongemerkt veranderen in informele patiënten. Er bestaat wel enige literatuur over dit onderwerp.

Werk en privé strikt gescheiden

Over het algemeen wordt geadviseerd de grenzen strikt te bewaren. Maar nooit gaan die artikelen over hoe je een zieke vriend of familielid het best kunt steunen, als vriend, de dokter in jezelf in bedwang houdend. Voor een arts - die net als ik in de palliatieve zorg werkt, met een vriend of vriendin die ernstig ziek is - kan dit nog moeilijker zijn.

Arts-zijn in relatie tot de naasten

Ik werk nu twee en een half jaar als arts-assistent in de palliatieve geneeskunde in Chicago. Toen ik twee weken bezig was met mijn opleiding, kreeg ik het bericht dat een vriendin van me een tongcarcinoom had. Inmiddels is ze kankervrij. Ze werkt weer en is moeder van twee kinderen. Ik heb vaak teruggedacht aan de tijd dat ze ziek was en ik, als het ware parallel aan haar ziektegeschiedenis, mijn palliatieve opleiding deed. Er zijn allerlei vragen bij me opgekomen over hoe we als arts moeten omgaan met ons arts-zijn in relatie tot de naasten in ons leven. Ook heb ik gezien hoe verschillende manieren om contact te maken, van blogs tot Facebook tot sms, de intimiteit van het contact met mijn vriendin hebben beïnvloed.

Schreeuwen

Ik ontmoette mijn vriendin tijdens mijn studie. We trokken veel met elkaar op en bleven vriendinnen na onze studietijd. Onze wegen gingen uiteen, we hielden alleen nog contact door middel van kerst- en verjaardagskaarten en ik volgde haar blog. Via dat blog vernam ik dat ze kanker had. Ik belde haar onmiddellijk. Ze vertelde dat ze vijf jaar eerder een laesie op de tongbasis had gehad, maar dat die toen geen afwijkingen liet zien: 'alleen maar dysplasie'. De dokter in mij reageerde onmiddellijk, ik wilde wel schreeuwen dat dysplasie niet betekent dat er niets aan de hand is.

De vriendin in mij begon direct een schuldige te zoeken: waarom had niemand de afwijking na die initiële biopsie opgevolgd? Was er sprake van nalatigheid? Mijn objectiviteit keerde snel terug en ik realiseerde me dat ik misschien maar een stukje van het verhaal hoorde en niet direct conclusies moest trekken. Ik vroeg haar verder niet veel en onderdrukte mijn neiging om alles te vertellen wat ik wist. In plaats daarvan hield ik mijn mond. Dat zou ik nog heel vaak doen. Ik luisterde. Ze vertelde dat haar KNO-arts gezegd had dat het stadium 2 was en dat ze daardoor opgelucht was, stadium 4 was immers pas echt ernstig.

Openhartig

Het was de laatste keer dat ik haar aan de telefoon had. Later kon ze door haar ziekte niet meer spreken en communiceerden we via sociale media. Ze werd verwezen naar een kankercentrum op grote afstand, ze bezocht het per vliegtuig. Haar blog werd haar voornaamste middel tot contact met degenen die het dichtst bij haar stonden. Ze schreef vaak en veel, eerst hoopvol, later moedeloos en boos. Plaatjes verduidelijkten haar proza. Ze was heel openhartig. Facebook gebruikte ze voor beknoptere versies voor een groter publiek. Op die plek speelde ze de rol van vechter. Haar berichten waren positief en opgewekt, de antwoorden vol met emoji’s en uitroeptekens. Sms was het intiemste medium. Ze deed dat heel bewust: 'Ik zet vrolijke dingen op Facebook. Dat is wat de mensen willen horen. De bloederige details bewaar ik voor mijn blog en het gejammer en gejank voor mijn sms’jes.'

Zwijgen

Via sms vroeg mijn vriendin me vaak medisch advies, bijvoorbeeld of ik het eens was met een behandelvoorstel. Zo stuurde ze een keer een kopie van een brief die mij duidelijk maakte dat er volgens de TNM-classificatie sprake was van stadium 4, niet stadium 2. Ik vroeg me af wat te doen. Haar vertellen dat ze ernstiger ziek was dan ze dacht? Maar, wat voor betekenis zou die informatie voor haar hebben? En ook stadium 4 is in principe te genezen. Dus voor haar maakte het mogelijk niet zo veel uit. En was het mijn verantwoordelijkheid haar dit te vertellen? Ik was toch niet haar dokter, ik was haar vriendin. Daarom was mijn taak niet om haar voor te lichten maar om haar aan te moedigen om te blijven vechten. Ik zweeg dus weer.

SEH

Ze kreeg chemotherapie en vloog op de eerstvolgende vlucht naar huis. Drie dagen later belde haar man me in paniek. Ze was constant aan het overgeven en leed helse pijn. Hij probeerde medische hulp te krijgen, maar dat lukte niet. Omdat er geen medisch aanspreekpunt was in hun woonplaats vroegen ze mij. Naar mijn idee moest ze naar de SEH van het plaatselijke ziekenhuis, maar mijn vriendin en haar man dachten dat de arts in het kankercentrum daar niet gelukkig mee zou zijn. En ik wilde niet de verwijzende dokter spelen. Maar eigenlijk wilden ze van mij toestemming om toch naar de SEH te gaan. Uiteindelijk werd ze via de SEH een dag opgenomen met dehydratie en een urineweginfectie.

Intern conflict

Het kankercentrum wilde de volgende dag dat ze direct kwam, ondanks haar fragiele toestand. Ik adviseerde haar man om bij het kankercentrum aan te dringen op een noodplan voor de toekomst. Ik vond het in haar toestand niet verantwoord dat ze steeds in en uit een vliegtuig sprong. Op dat moment voelde ik heel duidelijk mijn interne conflict: Ik had geen idee of ik nu vriendin, dokter of alleen maar een verward iemand was. Na een oncomfortabele vlucht werd ze in het kankercentrum adequaat behandeld met methadon en een PEG-sonde.

In mijn sms’jes stelde ik me dwingender op en meer als dokter, zag ik later. De behandeling met chemotherapie en daarna een grote operatie waren verschrikkelijk zwaar voor haar. Een gezamenlijke vriendin belde me en vroeg me naar haar prognose, ongetwijfeld in de verwachting dat ik zou zeggen dat ze zou overleven. Ik antwoordde echter in getallen, in vijf-jaarsoverlevingskansen. Chemoradiatie volgde, met veel bijwerkingen. De reacties op Facebook werden boos. De kanker was nu niet meer de vijand, maar de dokters die haar dit aandeden. Instinctief wilde ik mijn collega’s verdedigen, maar ik wilde ook mijn vriendin verdedigen. Dat kon niet samen. Ik zweeg opnieuw. Naarmate mijn vriendin steeds meer een 'professionele patiënt' werd, namen onze contacten af. Na de behandeling knapte ze gelukkig goed op, hoewel ze gehavend uit de strijd is gekomen. Mijn vriendin gaf me toestemming om haar verhaal te gebruiken voor educatieve doeleinden.

Het is opvallend hoe verschillend ze de drie sociale media gebruikt heeft:

  1. Facebook was het meest publieke medium, daarop was ze altijd strijdvaardig en opgewekt.
  2. Haar blogs waren bestemd voor een select publiek.
  3. De één-op-één sms’jes waren het intiemst.

‘Vrokter’

Deze ervaring - 'vrokter' (friendsician) zijn - zal terug blijven komen. Wat heb ik van deze ervaring geleerd? Ik denk dat 'er zijn', op welke manier dan ook, zelfs met vervaagde rollen, belangrijker is dan scherpe grenzen trekken. Angst om grenzen te doorbreken kan verhinderen om überhaupt een vriend te zijn. Fouten worden vergeven, afwezigheid is onverteerbaar. Ik heb me afgevraagd hoe het was gelopen als ik haar in het begin gevraagd had wat ze van mij verwachtte. Een 'palliatieve' vraag. Het besef dat ze medisch advies verwachtte had het voor mij gemakkelijker kunnen maken. En, wat belangrijker is, ik had meer op haar behoeften kunnen inspelen. Onze vriendschap is sterker geworden door deze ervaring. En ik ben me er nog bewuster van geworden dat je altijd dokter blijft, ook als je je witte jas niet aan hebt.

Commentaar

Een openhartig relaas, heel herkenbaar. In situaties waarin de vriend(in) ook arts is, wordt het in mijn ervaring nog ingewikkelder. Naast de vriendschappelijke en de arts-patiënt relatie speelt dan ook nog de collegiale relatie een rol. De schrijfster geeft een goede tip: vraag aan het begin van de contacten aan de vriend(in) wat hij/zij van je verwacht, dus bij het eerste vervagen van de grenzen. Dat schept helderheid.

Naar de publicatie

Jackson, E.W., Hauser, J. (2021) How to Be a Friend Who Is a Physician Without Being a Physician Friend. (niet openbaar) J Pain Symptom Manage 61;216-220. 
 

Deze bijdrage is onderdeel van e-pal - editie februari 2021. Alle e-pal-artikelen staan hier. 

Contactpersoon
Laatst geactualiseerd: 8 februari 2021
Niet gevonden wat je zocht?
Mail de redactie
Mail de redactie met jouw evenement, jouw nieuws of een tool waar anderen (ook) baat bij kunnen hebben. 'Delen is vermenigvuldigen', zeggen ze wel eens. Maar ook suggesties of klachten over de vindbaarheid van informatie zijn zeer welkom. Met jouw inbreng kunnen we Palliaweb verbeteren.