Hoesten in de palliatieve fase multidisciplinaire richtlijn
Samenvatting - belangrijkste aanbevelingen
Module 1: Hoesten in de palliatieve fase
- Geen aanbevelingen.
Module 2: Diagnostiek bij hoesten in de palliatieve fase
Algemeen
- Verricht bij alle patiënten met hoesten in de palliatieve fase een anamnese en lichamelijk onderzoek.
- Vraag de patiënt naar al genomen maatregelen tegen de hoesten en het effect daarvan.
- Vraag de patiënt naar medicatiegebruik (Anamnese) en pas indien mogelijk toedieningsvorm of dosering aan met het oog op veranderde doelstelling van behandeling in de palliatieve fase en beoordeel of het medicament gestaakt kan worden (bijv. staken van ACE-remmer bij indicatie hypertensie).
- Bespreek met de patiënt de impact van het hoesten op de vier dimensies: lichamelijk (spierpijn, vermoeidheid, incontinentie, kokhalzen en braken), psychologisch (angst, depressie), sociaal (isolatie, relationeel, werk gerelateerd) en spiritueel (zingeving) van de patiënt.
Dysfagie
- Wees bij patiënten met een neurologische aandoening alert op slikproblemen als oorzaak van hoesten. Zie ook de richtlijn Slikproblemen (SKILZ, 2023)
Aanvullend onderzoek
- Verricht alleen aanvullend onderzoek als het therapeutische consequenties heeft en als het proportioneel is in het licht van de prognose, wensen en verwachtingen van de patiënt.
- Bespreek met patiënt de voor- en nadelen van aanvullend onderzoek en neem samen het besluit om wel of niet te onderzoeken.
Module 3: Beleid bij hoesten in de palliatieve fase
- Indien hoesten veroorzaakt wordt door een te behandelen oorzaak (zie tabel 1. Oorzakelijke behandeling bij volwassenen met hoest in de palliatieve fase in Overwegingen), behandel dan de oorzaak.
- Schrijf geen hoestonderdrukkers voor bij hoesten door dysfagie.
- Overweeg hoestonderdrukkers zoals morfine, antihistaminica en pregabaline (zie tabel 2. Opsomming van medicatie in Overwegingen) aan te bieden en evalueer het effect ervan. Indien geen effect, staak dan de toediening van het ene middel en start in overleg met de patiënt een volgend middel.
- Bied verneveling van fysiologisch zout aan bij opgenomen patiënten om te helpen bij het ophoesten van taai secreet. Overweeg luchtbevochtigers enkel in te zetten bij volgende situaties: droge hoest of bij behandelingen (zoals zuurstoftoediening of chemotherapie) die droge hoest kunnen verergeren.
- Schakel, in overleg met de patiënt en naasten, een logopedist in bij problemen tijdens en rondom het eet- of drinkmoment of bij hoesten ten gevolge van dysfagie. Zie de richtlijn Slikproblemen.
- Overweeg, in overleg met patiënt en naasten, een verwijzing naar een hoestlogopedist voor hoestbeheersingstechnieken of naar een longfysiotherapeut voor houdingsadvies, hoestbeheersingstechniek en sputumklaringsadviezen.
- Besteed aandacht, toon begrip en erken de ervaren last van hoesten in de palliatieve fase.
- Evalueer op regelmatige basis het effect van de behandelingen en de impact van het hoesten op welbevinden bij patiënt en naasten.