Beleid - Medicamenteuze behandeling
Anti-emetica kunnen op verschillende manieren werken (zie tabel 1). Sommige middelen hebben meerdere werkingsmechanismen en grijpen aan op verschillende receptoren. De volgende middelen worden als anti-emetica gebruikt (zie ook tabel 2):
- Dopamine-antagonisten (metoclopramide, domperidon, haloperidol);
- prokinetica (metoclopramide, domperidon): bevorderen de maagontlediging door remming van perifere dopaminereceptoren in de maag en (alleen bij metoclopramide) stimulatie van cholinerge receptoren in de maag;
- serotonine (5HT3)-antagonisten (ondansetron, granisetron);
- neurokinine-1-antagonisten (aprepitant, fosaprepitant);
- corticosteroïden (in de praktijk vooral dexamethason, werkingsmechanisme onbekend);
- levomepromazine, olanzapine: zowel antidopaminerge als antiserotonerge (5HT2), anticholinerge en antihistaminerge werking;
- antisecretoire middelen: octreotide (analoga van somatostatine: gastro-intestinaal hormoon, dat secretie remt in het maagdarmkanaal).
Anti-emetica kunnen oraal, rectaal, transdermaal en/of parenteraal (subcutaan of intraveneus) worden toegediend.
Een aantal van bovengenoemde middelen (levomepromazine en olanzapine) geven vooral bij oudere patiënten kans op anticholinerge bijwerkingen, bijvoorbeeld een delier. Metoclopramide en haloperidol hebben extrapiramidale stoornissen, dystonie en sufheid als mogelijke bijwerkingen en zijn gecontra-indiceerd bij patiënten met de ziekte van Parkinson.
Ten aanzien van metoclopramide is in 2014 door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en het Europese Geneesmiddelenagentschap (EMA) aanbevolen niet meer dan 30 mg/dag (onafhankelijk van de toedieningsweg) te geven om de kans op neurologische en andere bijwerkingen te minimaliseren. Bij patiënten in de palliatieve fase is misselijkheid soms moeilijk te behandelen en kan het aangewezen zijn om hogere dagdoseringen (40-100 mg/dag p.o., supp., s.c. of i.v.) te geven. Instructie en snelle herkenning van extrapiramidale bijwerkingen is daarbij van groot belang.
De beste dosering olanzapine varieert per patiënt, afhankelijk van de gevoeligheid voor bijwerkingen (zoals sufheid). Het advies is om te starten met 5 mg 1dd in de avond en laagdrempelig te verhogen naar 10 mg bij onvoldoende effect. Bij een heel goed effect maar erge bijwerkingen kan ook 2.5 mg 1dd worden overwogen.
Tabel 1. Werking van anti-emetica
| Centrale dopamine-antagonist | 5-HT3- antagonist | 5-HT2- antagonist | Pro- kineticum | Anti- cholinergicum | Anti- histaminicum | Neurokinine- 1-antagonist | |
| Aprepitant | ++ | ||||||
| Corticosteroïden1 | |||||||
| Domperidon | ++ | ++ | |||||
| Haloperidol | ++ | + | |||||
| Levomepromazine, olanzapine | ++ | ++ | ++ | ++ | |||
| Ondansetron, granisetron | ++ |
1 Werkingsmechanisme als anti-emeticum onbekend
Tabel 2. Anti-emetica – alternatief
| Geneesmiddel |
Werkingsmechanisme |
Dosering | Bijzonderheden |
| Aprepitant | Neurokinine-1 (NK1) -antagonist | 1 dd 125 mg p.o. op dag 1 1 dd 80 mg p.o. op dag 2-3 |
Ter preventie van misselijkheid a.g.v. chemotherapie Verhoogt spiegels van dexamethason |
| Dexamethason | Vermindering hersenoedeem en mogelijk ook oedeem rondom tumor c.q. metastasen Andere mechanismen onbekend |
1 dd 4-8 mg p.o., s.c. of i.v. Dosering p.o. = s.c./i.v. |
M.n. bij chemotherapie (acute en vertraagde misselijkheid en braken), verhoogde hersendruk of peritoneaal metastasen |
| Domperidon | Centrale dopamine-2-antagonist Prokineticum |
3-4 dd 10-20 mg p.o 3-4 dd 60-120 mg supp |
Kan koliekachtige buikpijn bij ileus doen verergeren Niet combineren met anticholinergica Bijwerkingen: hartritme-stoornissen; weinig of geen centrale bijwerkingen |
| Granisetron | Serotonine (5HT3) -antagonist (centraal + perifeer) |
2 dd 1 mg p.o. 1-3 dd 3 mg i.v. 3,1 mg/24 hr transdermaal |
M.n. bij chemotherapie of radiotherapie of postoperatief Granisetron transdermaal bij meedaagse kuur Bijwerking: obstipatie |
| Haloperidol | Centrale dopamine-2-antagonist | 2 dd 1-2 mg p.o. 2 dd 0,5-1 mg s.c. of i.v., of 1-2 mg/24 hr s.c. of i.v. Dosering p.o.: s.c./i.v. = 2 : 1 |
Bijwerkingen: extrapiramidale bijwerkingen, acathisie, dystonie, sufheid, droge mond, visus-stoornissen, urineretentie, hartritmestoornissen |
| Levomepromazine | Dopamine-2-antagonist 5-HT2-antagonist Antihistaminicum Anticholinergicum |
Startdosis 1 dd 6,25-12,5 mg p.o. a.n. of 3,12 mg s.c. (als bolus of als continue infusie), zo nodig verhogen tot max. 25 mg dd Dosis p.o.: s.c. = 2 : 1 |
Bijwerkingen: sedatie, droge mond Kan ook in de wangzak worden toegediend Als monotherapie bij therapie-resistente misselijkheid en/of braken |
| Metoclopramide | Centrale dopamine-2-antagonist Prokineticum (bevordert maagontlediging) Zwakke serotonine (5HT3)-antagonist |
3 dd 10 mg p.o. of supp. Bij onvoldoende effect kunnen hogere doseringen (40-100 mg/dag p.o., supp., s.c. of i.v.) worden overwogen |
Kan koliekachtige buikpijn bij ileus doen verergeren Niet combineren met anticholinergica Centrale bijwerkingen: extrapiramidale bijwerkingen, acathisie, dystonie, sufheid, vooral op oudere leeftijd en/of bij comedicatie |
| Octreotide | Antisecretoir middel | 3 dd 200 microgr of 600 µgr/24 h s.c. of i.v. |
Bij ileus |
| Olanzapine | Dopamine-1t/m5-antagonist Serotonine(5HT2,3)-antagonist Antihistaminicum Anticholinergicum |
1-2 dd 5 mg p.o. 1 dd 10 mg i.v. |
Toegenomen kans op CVA en sterfte beschreven bij gebruik bij oudere patiënten met dementie |
| Ondansetron | Serotonine (5HT3) -antagonist (centraal + perifeer) |
1-2 dd 8 mg p.o. of i.v. 1 dd 16 mg supp. 16 mg/24 hr s.c. of i.v. |
M.n. bij chemotherapie of radiotherapie, postoperatief of bij misselijkheid en braken t.g.v. nierfalen Bijwerking: obstipatie |
Met uitzondering van dexamethason kunnen bovengenoemde middelen goed met elkaar en met andere middelen (bijv. morfine) in één oplossing worden gecombineerd. Dit heeft echter wel het bezwaar dat de dosering van de middelen afzonderlijk niet kan worden gevarieerd en dat het geven van een bolusinjectie niet goed meer mogelijk is.
Tabel 3 Anti-emetica – toedieningsweg en kosten
| Middel | Oraal (tablet) | Oraal (anders) | Oraal (anders) | Transdermaal | Intraveneus /subcutaan |
| Aprepitant | Capsule (€12,71 per verpakking met 3 capsules (1x 125mg, 2x 80mg)) | x | x | x | x |
| Dexamethason | Tablet 4mg (€ 0,29 per stuk) | Drank (€ 1,40 per gift van 4mg) | x | x | Injectie (€ 3,95 per gift van 4mg) |
| Domperidon | Tablet 10mg(€ 0,10 per stuk | Smelttablet 10mg (€ 0,18 per stuk) Drank (€ 0,40 per gift van 10mg) |
x | x | x |
| Granisetron | Tablet 1mg (€ 3,02 per tablet) | x | x | Pleister (€ 82,23 per stuk van 3.1mg)2 | Injectie (€ 10,92 per gift van 3mg) |
| Haloperidol | Tablet 1mg (€ 0,04 per stuk) | Drank (€ 0,15 per gift van 2mg) | x | x | Injectie (€ 0,25 per gift van 1mg) |
| Levomepromazine | Tablet 25mg (€ 0,08 per stuk) | x | x | x | Injectie (€ 1,00 per gift van 25mg) |
| Metoclopramide | Tablet 10mg (€ 0,11 per stuk) | Drank (€ 0,20 per gift van 10mg) | Zetpil 10mg (€ 0,24 per stuk) | x | Injectie (€ 4,70 per gift van 10mg) |
| Octreotide | x | x | x | x | Injectie (€ 7,86 per gift van 100 mcg) |
| Olanzapine | Tablet 5mg (€ 0,08 per stuk) | Smelttablet 5mg (€ 0,08 per stuk) | x | x | Injectie (€ 31,94 per gift van 10mg) |
| Ondansetron | Tablet 8mg (€ 0,98 per stuk | Smelttablet 8mg (€ 2,82 per tablet) Stroop (€ 8,90 per gift van 8mg) |
x | x | Injectie (€ 3,92 per gift van 4mg) |
Met uitzondering van dexamethason kunnen bovengenoemde middelen goed met elkaar en met andere middelen (bijv. morfine) in één oplossing worden gecombineerd. Dit heeft echter wel het bezwaar dat de dosering van de middelen afzonderlijk niet kan worden gevarieerd en dat het geven van een bolusinjectie niet goed meer mogelijk is.
1De kosten zijn op 09-04-2025 opgezocht op www.medicijnkosten.nl en zijn daarom mogelijk niet meer actueel. Ze zijn niet bedoeld als naslagwerk voor de daadwerkelijke kosten, maar meer om een richting te geven als de kosten mee worden gewogen bij het maken van een keuze tussen bepaalde middelen. De kosten zijn voor het generiek bereide middel.
2 volgens www.farmacotherapeutischkompas.nl is de prijs van 1 pleister van 3.1mg € 7,34
Mocht er een oorzaak voor misselijkheid en/of braken tijdens het diagnostisch proces bevonden worden, dan verwijzen we naar de module Behandeling van de oorzaak voor de keuze bepaling van de geneesmiddelen/behandeling. Zie deze module voor adviezen over een oorzaak-gerichte behandeling en de richtlijn Ileus in de palliatieve fase. In de meeste andere gevallen wordt een empirische behandeling aanbevolen (zie de aanbevelingen). Hierbij is het logisch om een middel met een ander werkingsmechanisme te kiezen dan die van de middelen die niet effectief bleken bij een patiënt.
De aanbevelingen over levomepromazine en serotonine-antagonisten zijn overgenomen uit de vorige richtlijn (2014). Er is geen nieuwe literatuur gevonden met de huidige zoekopdracht, de aanbevelingen zijn gebaseerd op de zoekopdracht voor de vorige richtlijn (zie overwegingen).
Domperidon werd in de vorige versie van de richtlijn als alternatief voor metoclopramide genoemd. Er is echter geen goede wetenschappelijke evidence voor domperidon. Olanzapine lijkt derhalve een beter alternatief. Een uitzondering hierop vormen patiënten met Parkinson, waarbij olanzapine relatief gecontra-indiceerd is. Bij deze patiënten is domperidon eerste keus. Dit advies is gebaseerd op de NVN richtlijn Ziekte van Parkinson.
Uitgangsvraag:
Wat wordt aanbevolen ten aanzien van medicamenteuze behandeling bij patiënten in de palliatieve fase met misselijkheid en/of braken?
Methode: evidence-based (systematisch literatuuronderzoek)
Aanbevelingen
Overweeg bij patiënten met misselijkheid en/of braken in de palliatieve fase (zonder ileus, hersenmetastasen, terminaal nierfalen, gastric outlet obstructie syndroom of een vestibulaire afwijking):
- Te starten met metoclopramide 10 mg 1dd tot 3dd, behalve bij Parkinsonpatiënten waarbij gestart dient te worden met domperidon 10 mg 1dd tot 3dd. Verhoog bij onvoldoende effect. Bij onverdraagzaamheid voor metoclopramide kan domperidon als alternatief gelden.
- Bij onvoldoende effect van bovengenoemde middelen:
- Overweeg op basis van patiëntkenmerken en ervaring en voorkeur van de behandelaar één van de volgende middelen. Bespreek de voor- en nadelen met de patiënt:
o olanzapine 5 mg 1dd
o dexamethason 4-8 mg 1dd
o levomepromazine 6,25 mg 1dd
o ondansetron 8 mg 1-2dd
- Overweeg op basis van patiëntkenmerken en ervaring en voorkeur van de behandelaar één van de volgende middelen. Bespreek de voor- en nadelen met de patiënt:
Niet aanbevolen:
- Wees terughoudend met de toediening van haloperidol.
- Geef geen methylprednisolon.
- Geef geen cannabis.
Metoclopramide
| Laag | Controlled-release metoclopramide lijkt een significant effect te hebben op misselijkheid maar niet op braken in vergelijking met placebo bij patiënten met kanker-gerelateerde dyspepsie. [Bruera 2000] |
| Zeer laag | Controlled-release metoclopramide lijkt niet te leiden tot significant meer bijwerkingen dan placebo bij patiënten met kanker-gerelateerde dyspepsie, maar de evidence is zeer onzeker. [Bruera 2000] |
| Laag | Levosulpiride lijkt een significant effect te hebben op misselijkheid en braken in vergelijking met metoclopramide bij patiënten met kanker in de palliatieve fase met hevige misselijkheid en/of braken. [Corli 1995] |
Haloperidol
| Laag | Richtlijn-gebaseerde anti-emetische behandeling lijkt geen significant verschil in effect te hebben op misselijkheid in vergelijking met haloperidol bij kankerpatiënten met misselijkheid. [Hardy 2018] |
| Zeer laag | Richtlijn-gebaseerde anti-emetische behandeling lijkt geen significant verschil in effect te hebben op braken in vergelijking met haloperidol bij kankerpatiënten met misselijkheid, maar de evidence is zeer onzeker. [Hardy 2018] |
| Zeer laag | Richtlijn-gebaseerde anti-emetische behandeling lijkt niet te leiden tot significant meer bijwerkingen dan haloperidol bij kankerpatiënten met misselijkheid, maar de evidence is zeer onzeker. [Hardy 2018] |
| Redelijk | Haloperidol heeft waarschijnlijk geen significant verschil in effect op misselijkheid in vergelijking met methotrimeprazine bij palliatieve kankerpatiënten met misselijkheid. [Hardy 2019] |
| Laag – zeer laag | Haloperidol lijkt geen significant verschil in effect te hebben op braken in vergelijking met methotrimeprazine bij palliatieve kankerpatiënten met misselijkheid, maar de evidence is zeer onzeker. [Hardy 2019] |
| Laag | Haloperidol lijkt niet te leiden tot significant meer bijwerkingen dan methotrimeprazine bij palliatieve kankerpatiënten met misselijkheid. [Hardy 2019] |
Corticosteroïden
| Zeer laag | Methylprednisolon lijkt een significant effect te hebben op misselijkheid, braken en kwaliteit van leven in vergelijking met placebo bij vrouwen met gevorderde terminale kanker, maar de evidence is zeer onzeker. [Popiela 1989] |
| Laag | Methylprednisolon lijkt te leiden tot meer bijwerkingen dan placebo bij vrouwen met gevorderde terminale kanker. [Popiela 1989] |
| Zeer laag | Methylprednisolon lijkt geen significant effect te hebben op sterfte in vergelijking met placebo bij vrouwen met gevorderde terminale kanker, maar de evidence is zeer onzeker. [Popiela 1989] |
Olanzapine
| Redelijk | De toevoeging van olanzapine aan megestrolacetaat resulteert waarschijnlijk in een significante afname van misselijkheid en kwaliteit van leven bij patiënten met gevorderde gastro-intestinale kanker of longkanker en anorexia. [Navari 2010] |
| Redelijk | De toevoeging van olanzapine aan megestrolacetaat leidt waarschijnlijk niet tot meer bijwerkingen bij patiënten met gevorderde gastro-intestinale kanker of longkanker en anorexia. [Navari 2010] |
Cannabis
| Zeer laag | Cannabis lijkt geen significant effect te hebben op misselijkheid in vergelijking met placebo bij patiënten met gevorderde kanker en een slechte eetlust, maar de evidence is zeer onzeker. [Brisbois 2011] |
| Laag | Cannabis lijkt geen significant effect te hebben op kwaliteit van leven in vergelijking met placebo bij patiënten met gevorderde kanker en een slechte eetlust. [Brisbois 2011] |
| Zeer laag | Cannabis lijkt niet te leiden tot meer bijwerkingen dan placebo bij patiënten met gevorderde kanker en een slechte eetlust, maar de evidence is zeer onzeker. [Brisbois 2011] |
Brisbois, T.D., et al., Delta-9-tetrahydrocannabinol may palliate altered chemosensory perception in cancer patients: results of a randomized, double-blind, placebo-controlled pilot trial. Annals of Oncology, 2011. 22(9): p. 2086-2093.
Bruera, E., et al., Dexamethason in addition to metoclopramide for chronic nausea in patients with advanced cancer: a randomized controlled trial. Journal of Pain & Symptom Management, 2004. 28(4): p. 381-8.
Buchanan D, Muirhead K. Intractable nausea and vomiting successfully treated with granisetron 5-hydroxytryptamine type 3 receptor antagonists in palliative medicine. Palliat Med. 2007 Dec;21(8):725-6.
Cole RM, Robinson F, Harvey L et al. Successful control of intractable nausea and vomiting requiring combined ondansetron and haloperidol in a patient with advanced cancer. J Pain Symptom Manage. 1994 Jan;9(1):48-50.
Corli, O., A. Cozzolino, and L. Battaiotto, Effectiveness of levosulpiride versus metoclopramide for nausea and vomiting in advanced cancer patients: A double-blind, randomized, crossover study. Journal of Pain and Symptom Management, 1995. 10(7): p. 521-526.
Cox, L., E. Darvill, and S. Dorman, Levomepromazine for nausea and vomiting in palliative care. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2015(11): p. CD009420.
Currow DC, Coughlan M, Fardell B et al. Use of ondansetron in palliative medicine. J Pain Symptom Manage. 1997 May;13(5):302-7.
Davis M, Hallerberg G. A systematic review of the treatment of nausea and/or vomiting in cancer unrelated to chemotherapy of radiation. Journal of Pain and Symptom Management 2010;39(4):756-67.
Dietz, I., et al., Evidence for the use of Levomepromazine for symptom control in the palliative care setting: A systematic review. BMC Palliative Care, 2013. 12(1).
Doppen, M., et al., Cannabis in Palliative Care: A Systematic Review of Current Evidence. Journal of Pain & Symptom Management, 2022. 64(5): p. e260-e284.
Douglas, C., et al., Symptom management for the adult patient dying with advanced chronic kidney disease: a review of the literature and development of evidence-based guidelines by a United Kingdom Expert Consensus Group. Palliative Medicine, 2009. 23(2): p. 103-10.
Economos, G., et al., What is the evidence for mirtazapine in treating cancer-related symptomatology? A systematic review. Supportive Care in Cancer, 2020. 28(4): p. 1597-1606.
Eisenchlas JH, Garrigue N, Junin M et al. Low-dose levomepromazine in refractory emesis in advanced cancer patients: an open-label study. Palliat Med. 2005 Jan;19(1):71-5.
Glare, P., et al., Systematic review of the efficacy of antiemetics in the treatment of nausea in patients with far-advanced cancer. Supportive Care in Cancer, 2004. 12(6): p. 432-40.
Hardy J, Daly S, McQuade B et al. A double-blind, randomised, parallel group, multinational, multicentre study comparing a single dose of ondansetron 24 mg p.o. with placebo and metoclopramide 10 mg t.d.s. p.o. in the treatment of opioid-induced nausea and emesis in cancer patients. Support Care Cancer. 2002 Apr;10(3):231-6.
Hardy, J., et al., A randomized open-label study of guideline-driven antiemetic therapy versus single agent antiemetic therapy in patients with advanced cancer and nausea not related to anticancer treatment. BMC Cancer, 2018. 18(1): p. 510.
Hardy, J.R., et al., Methotrimeprazine versus haloperidol in palliative care patients with cancer-related nausea: a randomised, double-blind controlled trial. BMJ Open, 2019. 9(9): p. e029942.
Johansson R, Kilkku P, Groenroos M. A double-blind, controlled trial of nabilone vs. prochlorperazine for refractory emesis induced by cancer chemotherapy. Cancer Treatment Reviews 1982;9(Suppl B):25-33.
Kennett A, Hardy J, Shah S et al. An open study of methotrimeprazine in the management of nausea and vomiting in patients with advanced cancer. Support Care Cancer. 2005 Sep;13(9):715-21. Epub 2005 Feb 8.
Ljutic D, Perkovic D, Rumboldt Z et al. Comparison of ondansetron with metoclopramide in the symptomatic relief of uremia-induced nausea and vomiting. Kidney Blood Press Res. 2002;25(1):61-4.
Macleod AD. Ondansetron in multiple sclerosis. J Pain Symptom Manage. 2000 Nov;20(5):388-91.
McCabe M, Smith FP, Macdonald JS, Woolley PV, Goldberg D, Schein PS. Efficacy of tetrahydrocannabinol in patients refractory to standard antiemetic therapy. Investigational New Drugs 1988;6(3):243-6.
Mercadante S, Ripamonti C, Casuccio A et al. Comparison of octreotide and hyoscine butylbromide in controlling gastrointestinal symptoms due to malignant inoperable bowel obstruction. Support Care Cancer. 2000 May;8(3):188-91.
Miller, S., et al., Use of corticosteroids for anorexia in palliative medicine: A systematic review. Journal of Palliative Medicine, 2014. 17(4): p. 482-485.
Mucke, M., et al., Systematic review and meta-analysis of cannabinoids in palliative medicine. Journal of Cachexia, Sarcopenia and Muscle, 2018. 9(2): p. 220-234.
Murray-Brown, F. and S. Dorman, Haloperidol for the treatment of nausea and vomiting in palliative care patients. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2015(11): p. CD006271.
Mystakidou K, Befon S, Trifyllis J et al. Tropisetron versus metoclopramide in the control of emesis in far-advanced cancer. Oncologist. 1997;2(5):319-23.
Mystakidou K, Befon S, Liossi C, et al. Comparison of the efficacy and safety of tropisetron, metoclopramide, and chlorpromazine in the treatment of emesis associated with far advanced cancer. Cancer. 1998 Sep 15;83(6):1214-23. (Mystakidou 1998a).
Mystakidou K, Befon S, Liossi C et al. Comparison of tropisetron and chlorpromazine combinations in the control of nausea and vomiting in patients with advanced cancer. J Pain Symptom Manage. 1998 Mar;15(3):176-84. (Mystakidou 1998b).
Navari R, Nagy C, Gray S. The use of olanzapine versus metoclopramide for the treatment of breakthrough chemotherapy-induced nausea and vomiting in patients receiving highly emetogenic chemotherapy. Supportive Care in Cancer 2013; Vol. 21, issue 6:1655-63.
Pereira J, Bruera E. Succesful management of intractable nausea with ondansetron: a case study. J Palliat Care. 1996 Summer;12(2):47-50.
Popiela T, Lucchi R, Giongo F: Methylprednisolone as palliative therapy for female terminal cancer patients. Eur J Cancer Clin Oncol 1989;25:1823–1829.
Porcel JM, Salud A, Porta J et al. Antiemetic efficacy of subcutaneous 5-HT3 receptor antagonists in terminal cancer patients. J Pain Symptom Manage. 1998 May;15(5):265-6.
Sallan SE, Zinberg NE, Frei E. Antiemetic effect of delta-9-tetrahydrocannabinol in patients receiving cancer chemotherapy. New England Journal of Medicine 1975;293:795-7.
Sande, T.A., B.J.A. Laird, and M.T. Fallon, The Management of Opioid-Induced Nausea and Vomiting in Patients with Cancer: A Systematic Review. Journal of Palliative Medicine, 2019. 22(1): p. 90-97.
Solmi, M., et al., Balancing risks and benefits of cannabis use: umbrella review of meta-analyses of randomised controlled trials and observational studies. BMJ, 2023. 382: p. e072348.
Stambaugh JE, McAdams J, Vreeland F. Dose ranging evaluation of the antiemetic efficacy and toxicity of intramuscular levonantradol in cancer subjects with chemotherapyinduced emesis. J Clin Pharmacol 1984;24:480–485.
Storrar, J., et al., Droperidol for treatment of nausea and vomiting in palliative care patients. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2014(11): p. CD006938.
Sutherland, A., et al., Olanzapine for the prevention and treatment of cancer-related nausea and vomiting in adults. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2018. 9: p. CD012555.
Tramer MR, Walder B. Efficacy and adverse effects of prophylactic antiemetics during patient-controlled analgesia therapy: a quantitative systematic review. Anesthesia and Analgesia 1999;88:1354-61.
Vayne-Bossert, P., et al., Corticosteroids for adult patients with advanced cancer who have nausea and vomiting (not related to chemotherapy, radiotherapy, or surgery). Cochrane Database of Systematic Reviews, 2017. 7: p. CD012002.
Weschules DJ, Maxwell T, Reifsnyder J, Knowlton CH. Are newer, more expensive pharmacotherapy options associated with superior symptom control compared to less costly agents used in a collaborative practice setting? Am J Hosp Palliat Care. 2006 Mar-Apr;23(2):135-49.
