Nieuws NPZ Utrecht stad en Zuidoost-Utrecht 03 juni 2022

Nog even dicht bij elkaar

Een koppelbed kan ervoor zorgen dat een stel nog dichtbij elkaar kan slapen in hun laatste dagen samen, ze elkaars warmte kunnen opzoeken. Verpleegkundige Leonie Jorna schreef er een mooie blog over.

Zijn handen strekken zich naar haar uit. Ze klimt op het bed en nestelt zich dicht tegen hem aan. Ik zie vier warme handen die verstrengeld zijn in elkaar. Ze kijken elkaar intens aan. Na bijna zestig jaar samen zijn de ogen sprekender en veelzeggender dan ooit tevoren.

Woorden zijn voor hem nauwelijks meer uit te zeggen. Beiden kunnen ze nauwelijks meer uitbrengen: hij doordat hij stervende is en weet dat de vijftien liter zuurstof snel niet meer toereikend zal zijn, zij uit verslagenheid en wanhoop. Ze liggen samen, dicht tegen elkaar aan. Liefdevol en radeloos omdat ze sinds enkele uren voelen en weten dat ze elkaar los zullen laten.

“Hoe zou u het vinden als uw vrouw ook vanavond dicht tegen u aan slaapt? We hebben een nieuw bed op de afdeling gekregen. Een koppelbed, dat aan uw bed kan worden vastgezet zodat het een tweepersoonsbed wordt. Als u dat fijn vindt kunnen jullie vannacht samen zijn,” zeg ik. “U heeft vannacht zo’n angstige nacht gehad en u bent alle nachten steeds wakker, misschien helpt het u, geeft het wat rust.” Hij kijkt me verwonderd aan, zijn ogen lichten op. “Echt? Mag dat?” Een groter cadeau, een beter medicijn, had er op dit moment niet kunnen zijn.

Na een kleine week op de 'Covid’-afdeling - waar hij eenzaam en angstig de dagen en vooral de nachten in seconden uittelde - ligt hij nu op een ‘gewone’ afdeling, omdat hij niet meer besmettelijk is, maar zijn longen veel schade hebben geleden. Te veel. Onherstelbaar. “U bent steeds zo positief en zo blij naar ons” zeg ik zacht, “maar we weten en zien hoe ziek u zich voelt.” Hij knikt met verdrietige ogen en vertelt zich veilig te voelen.

Mijn collegae en ik improviseren om het bed in de kleine kamer te krijgen - immers maar één kant van het bed is bereikbaar en de ruimte is krap. Het is avond, alle verpleegkundigen van de afdeling komen even kijken, want het is de eerste keer dat we het geschonken bed gebruiken. 'Hoe gaat die hoofdsteun naar beneden?' Veel geprobeer maar nee, het lukt niet. Dus zit zij een nacht rechtop in bed, moe en verdrietig, maar zo dankbaar er te mogen zijn naast haar man die de nacht doorworstelt, echter nu in hun vertrouwde samen. Nog even voor het slapen een appje met foto naar de kinderen met ‘kijk eens, gezellig een plekje voor twee’. Een rustigere nacht volgt waarna het vertrouwde ritueel van samen ontbijten, samen opfrissen - hij naast het bed, zij in de douche, samen het nieuwe scheerapparaat uitproberen en samen wachten op de zaalarts. En samen horen ze dat zij nog een nacht mag blijven.  

“Tot vanavond lieverd.” Hun handen verstrengelen zich weer als vanzelf in elkaar. Hun stille ogen lezen elkaars liefdevolle blik. Een bemoedigende knik en verdrietige lach met droge lippen vanonder zijn strakke zuurstofmasker. “Dag lieverd, je ziet er moe uit, zorg goed voor jezelf hè, rust goed uit,” zegt hij tussen adempauzes door. Dan laten ze elkaar los. Daar gaat ze, opgewacht door een van de kinderen die hun huilende moeder troostend opvangt in de hal. Om haar aan het begin van de avond, iets opgeladen en met volle tas, weer bij de afdeling af te zetten. Zo volgen er nog zes nachten.

Overdag volgt hij het ritme van het ziekenhuis, dommelt wat, een appje, een gesprek, iets eten, het eiwitdrankje van de voedingsconsulente, een kop koffie, even staan naast het bed met de fysiotherapeut. Het lege bed naast hem wachtend op zijn vrouw. Herinneringen leiden hem af van het knellende zuurstofmasker waar de maximale zuurstof steeds minimaler werkzaam blijkt. Plots wordt hun grootste angst werkelijkheid. Hij gaat zienderogen achteruit, moe, ziek, benauwd. De koffie smaakt hem niet meer. Het is nog lang niet klaar voor hem, maar zijn lichaam beslist anders. De nachten worden onrustig. Dat nare gevoel dat niet in woorden uit te leggen is, die angst. In nabijheid bespreken ze -gelaten en intens verdrietig- de toekomst die ze eigenlijk niet in willen zien. En bellen de verpleegkundige. Zo kunnen ze het samen doen.

Het slotakkoord valt. Het afscheid wordt onomkeerbaar uitgesproken op dat samen-bed waar nu de grens tussen leven en dood voelbaar is. De kinderen mogen nog even bij hem zijn en op het moment dat zijn kleinkinderen komen, is hij al verzonken in een diepe slaap waaruit hij niet meer wakker zal worden. Er worden herinneringen opgehaald, zij nog altijd onafscheidelijk naast hem op dat dragende bed, haar hoofd af en toe rustend op zijn zwoegende borstkas. “Och lieverd toch,” fluistert ze. Haar handen zijn om die van hem heen gevouwen.

De zevende nacht valt in. Een zoon waakt bij zijn vader. Zij rust op de bank op de familiekamer, een dochter bij haar. En dan de voetstappen van de verpleegkundige die haar ophaalt en in rust en afstemming begeleidt. Deze laatste stappen zijn zwaar.

“Dag lieve schat van me,” zegt ze met bittere tranen. Haar handen omklemmen zijn bewegingloze handen. “Ze zijn koud geworden,” zegt ze verschrikt. Daar staat ze, met gekromde rug, verslagen. Een laatste blik in het kamertje dat zo eigen geworden was deze week waarin een crescendo van liefde, warmte, nabijheid en afscheid verbond. Het koppelbed wordt ontkoppeld.

Alles zal vanaf nu anders zijn.

AANMELDEN NIEUWSBRIEF