Nieuwe opnametool voor hospices in ontwikkeling
Hoe zorg je ervoor dat patiënten in een hospice precies de zorg krijgen die bij hen past? Onderzoeker Everlien de Graaf van het Expertise Centrum Palliatieve Zorg van het UMC Utrecht werkt samen met tientallen hospices aan een nieuwe opnametool. Het instrument helpt om de complexiteit van de zorgvraag beter in beeld te brengen en kan extreem korte of juist lange opnames helpen voorkomen. In het artikel 'Opnametool voor hospices geeft beter zicht op complexiteit van de zorgvraag', vertelt Everlien de Graaf meer over het onderzoek, de samenwerking met hospices en wat deze tool kan betekenen voor de praktijk.
Bron: nppz.org
Everlien de Graaf: “Opnametool voor hospices geeft beter zicht op complexiteit van de zorgvraag”
Het Expertise Centrum Palliatieve Zorg van het UMC Utrecht ontwikkelt samen met zo’n dertig hospices een opname-instrument dat extreem korte of lange opnames helpt voorkomen. “Met dit instrument kunnen we patiënten de best passende zorg geven”, zegt onderzoeker Everlien de Graaf.
Niet alleen ziekenhuizen, maar ook hospices kennen de ‘verkeerde beddenproblematiek’, zo wees het HOPEVOL-onderzoek enkele jaren geleden uit. Enerzijds zijn er opnames van patiënten die slechts één of twee dagen duren. Anderzijds zijn er opnames die soms langer dan drie maanden duren. “In beide situaties kun je vaststellen dat de patiënt mogelijk niet de best passende zorg heeft gekregen”, zegt De Graaf. “Bij de korte opnames had misschien beter gekeken kunnen worden naar extra inzet thuis. Bij de lange opnames was mogelijk niet goed genoeg gekeken naar de inschatting van de levensverwachting.”
Bredere kijk
Wat beide situaties verbindt, is dat bij de intake mogelijk bepaalde zaken over het hoofd worden gezien. Eén van de lessen van het HOPEVOL-onderzoek was dat er bij de intake te veel werd gefocust op de patiënt, en te weinig gekeken werd naar de rol van de naasten van de patiënt. Of naar de zorgmogelijkheden van het hospice zelf. “De complexiteit van de zorgvraag van de patiënt krijg je niet voldoende in beeld als je alleen naar de patiënt kijkt”, zegt De Graaf. “In het opname-instrument dat we nu aan het ontwikkelen zijn, kijken we daarom breder. Daarmee krijgen we een beter zicht op de complexiteit van de zorgvraag.”
Die ontwikkeling van het instrument is al een tijdje gaande. Er werd eerst een soort ‘0.1-versie’ gemaakt, gebaseerd op de uitkomsten van het HOPEVOL-onderzoek. In de regio Midden-Nederland is deze in samenwerking met zes hospices uitgetest. Deze voorlopige versie van de tool bevatte een groot aantal vragen die bij de intake kunnen worden langsgelopen.
“In de besprekingen van dit concept met de zes hospices is onder meer geschaafd aan de precieze formuleringen van de vragen. Ook is naar de volgorde van de vragen gekeken.” Daaruit vloeide een volwaardige 1.0-versie van het instrument voort.
Leerzaam aan de overleggen was dat dit inzichtelijk maakte hoe verschillend de intakeprocedures waren van de betrokken hospices, geeft De Graaf aan. “Sommige hospices doen die intake zelf, soms is er één bureau dat de intakes voor diverse hospices in een bepaalde regio doet en soms zijn intakes uitbesteed aan een zorgbemiddelingsafdeling van een VVT-instelling. Aan de ene kant kun je zeggen dat deze diversiteit heel mooi is, maar tegelijkertijd maakt deze heterogeniteit het opnameproces binnen de landelijke hospicezorg ook wel heel vaag.”
Project ‘Versterken hospicezorg’
Sinds het project ‘Versterken hospicezorg’ startte, als onderdeel van het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II, zijn ook koepelorganisaties VPTZ Nederland, Associatie Hospicezorg Nederland en Actiz bij de ontwikkeling van de opnametool betrokken. De ontwikkeling werd hiermee opgeschaald van regionaal naar landelijk.
In zes zogeheten ‘proeftuinen’ zijn afgelopen jaar veertig hospices de 1.0-versie van het instrument gaan gebruiken. “De meest belangrijke verschillen die zij tot nu toe constateren, in vergelijking met de voor hen gebruikelijke, eerdere intakeprocedure, kwamen neer op drie punten”, zegt De Graaf. “Allereerst is er nu óók aandacht voor de rol en de positie van de naasten. Het maakt immers voor de inschatting van de zorgvraag nogal wat uit of een patiënt wel of geen naasten om zich heen heeft. Ten tweede heeft de nieuwe opnametool ervoor gezorgd dat er meer multidisciplinair naar de opname wordt gekeken. Concreet bedoel ik dat bijvoorbeeld het verpleegkundig perspectief nu ook wordt meegenomen, terwijl in de eerdere situatie de opname slechts het resultaat was van een overleg tussen de ene arts – een medisch specialist of huisarts – en de andere arts: de hospicearts. Ten derde vraagt men nu beter uit wat de patiënt en zijn naasten van de opname verwachten. Lange tijd heeft de aanname bestaan dat we een patiënt in een hospice moeten opnemen omdat de patiënt aangeeft dat hij dat wil. Maar dat is niet genoeg. Soms is dat gewoon niet de allerbeste zorg voor hem.”
Actie-onderzoek
De hospices uit de proeftuinen komen regelmatig bij elkaar. De inzichten die lopende de ontwikkeling van de opnametool zijn opgedaan, kunnen direct weer geïmplementeerd worden in hun dagelijkse werk. “Echt actie-onderzoek dus”, zegt De Graaf. “Enerzijds draait het om kennisontwikkeling, gericht op de eindversie van de opnametool. Anderzijds doen we ook direct iets voor de praktijk.”
De eindversie van de tool wordt waarschijnlijk maart/april volgend jaar opgeleverd. “Alle hospicevoorzieningen kunnen ‘m dan gebruiken, ongeacht hun organisatievorm”, zegt De Graaf. Of dat ook gebeurt, heeft De Graaf niet in de hand. “Op dat punt kunnen de koepels een belangrijke rol spelen.”
Fundamentele vraag
Hoewel het intakemoment een belangrijk moment is om de opnametool te gebruiken, is dat niet het enige moment waarop hospicemedewerkers de tool kunnen inzetten. “We richten ons expliciet op het ondersteunen van het opnameproces”, zegt De Graaf. “Dus van aanmelding/intake via de opname naar de evaluatie, ongeveer twee weken na opname. Dit kan helpen de fundamentele vraag te beantwoorden of de patiënt in het hospice nog steeds de best passende zorg krijgt. Door de vraag niet alleen bij de aanmelding en opname te stellen, maar ook bij de evaluatie, kun je mogelijk de potentiële langligger er nog uit vissen. Want: we weten van eerder onderzoek dat bij opname de patiënten die kort of lang in het hospice verblijven nog vergelijkbare symptoomlast hebben. Echter: bij mensen die lang in het hospice verblijven, stabiliseren de symptomen binnen twee weken. Dankzij die systematische evaluatie, haal je dit boven tafel, en kun je dit bespreekbaar maken.”